Art. 2 Mandaatregeling niet-beheersaangelegenheden openbaar ministerie

Mandaatregeling niet-beheersaangelegenheden openbaar ministerie

1. Aan de secretaris-generaal wordt mandaat verleend tot:

a. het beslissen op bezwaarschriften of op verzoeken als bedoeld in artikel 7:1a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht ten aanzien van besluiten die het College krachtens mandaat heeft genomen;

b. de behandeling van klachten die gedragingen van het College of leden daarvan betreffen;

c. het beslissen op verzoeken op grond van de Wet openbaarheid van bestuur;

d. het nemen van besluiten en het verrichten van andere handelingen, voortvloeiend uit aangelegenheden die de Nationale ombudsman betreffen, behoudens in het geval de strekking daarvan is dat:

– aan een aanbeveling van de Nationale ombudsman geen gevolg wordt gegeven; of

– een verbod wordt gegeven als bedoeld in artikel 14 van de Wet Nationale ombudsman.

2. De secretaris-generaal wordt toegestaan om ten aanzien van het krachtens het eerste lid, onder a tot en met c verleende mandaat, ondermandaat te verlenen aan onder hem ressorterende functionarissen.

Uitspraken die dit artikel aanhalen