Art. 10 Regeling bijzondere bevoegdverklaringen AML en Part-66-AML, Schorsing AML en Part-66-AML

Regeling bijzondere bevoegdverklaringen AML en Part-66-AML

1. Vanaf het tijdstip van schorsing mag de houder die bevoegdheden, waarop de schorsing van de AML of de Part-66-AML betrekking heeft, niet uitoefenen.

2. Om een schorsing op te heffen toont de houder aan, dat de redenen, die tot schorsing hebben geleid, zijn vervallen.