Art. 24 Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007, Monsterneming

Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007

Monsterneming bij de in de artikelen 21 en 22 bedoelde meetpunten gebeurt, voor zover mogelijk, op zodanige wijze dat:

a. de lucht rond de inlaatbuis vrij kan stromen, binnen een hoek van ten minste 270° of 180˚ voor metingen aan de rooilijn, zonder enige verstoring van de luchtstroom in de omgeving van het bemonsteringsapparaat, met dien verstande dat voor zover uitvoerbaar, enkele meters afstand wordt gehouden tussen het meetpunt en het dichtstbijzijnde gebouw of enig ander obstakel, en in elk geval een afstand van ten minste 0,5 m wordt aangehouden tussen het meetpunt en het dichtstbijzijnde gebouw;

b. de hoogte van de inlaatbuis tussen anderhalve meter (ademhalingshoogte) en vier meter boven de grond ligt, tenzij een grotere hoogte nuttig is met het oog op de representativiteit van het meetpunt voor een groot gebied, welke afwijking op een deugdelijke wijze wordt toegelicht en gemotiveerd en gedocumenteerd;

c. door situering van de inlaatbuis wordt voorkomen dat de uitstoot van bronnen rechtstreeks en zonder menging met de buitenlucht in de inlaatbuis terechtkomt;

d. door situering van de uitlaatbuis wordt voorkomen dat de lucht daaruit opnieuw in de inlaatbuis kan komen.