Art. 57 Penw., Behoud aanspraak in geval van scheiding
1. Indien de partnerrelatie van een deelnemer eindigt door scheiding verkrijgt de gewezen partner van de deelnemer een zodanige aanspraak op partnerpensioen als de deelnemer ten behoeve van die gewezen partner zou hebben behouden indien op het tijdstip van scheiding zijn deelneming zou zijn geëindigd.
2. Indien de partnerrelatie van een gewezen deelnemer eindigt door scheiding, en de gewezen deelnemer ten behoeve van die partner een aanspraak op partnerpensioen heeft behouden bij beëindigen van de deelneming, gaat de aanspraak over op de gewezen partner van de gewezen deelnemer.
3. Indien de partnerrelatie van een gepensioneerde eindigt door scheiding, en de gepensioneerde ten behoeve van die partner een aanspraak op partnerpensioen heeft behouden bij het ingaan van het ouderdomspensioen, gaat die aanspraak over op de gewezen partner van de gepensioneerde.
4. Het eerste, tweede en derde lid vindt geen toepassing indien de partners bij voorwaarden in verband met de partnerrelatie of een schriftelijk gesloten overeenkomst met betrekking tot de scheiding anders overeenkomen. Deze voorwaarden of overeenkomst zijn respectievelijk is slechts geldig indien de pensioenuitvoerder zich bereid heeft verklaard hiermee in te stemmen en bereid is een uit de afwijking voortvloeiend risico te dekken dan wel het niveau van de uitkering aan te passen.
5. Een gewezen partner met een recht op bijzonder partnerpensioen als bedoeld in het eerste, tweede of derde lid, heeft het recht dit te vervreemden aan een eerdere of latere partner van de overleden deelnemer, gewezen deelnemer of gepensioneerde, mits:
a. de pensioenuitvoerder bereid is een eventueel uit die overdracht voortvloeiende wijziging van het risico te dekken;
b. de vervreemding onherroepelijk is; en
c. dit wordt overeengekomen bij notarieel verleden akte.
6. Indien na toepassing van het eerste of tweede lid de gewezen partner overlijdt voordat de deelnemer of gewezen deelnemer overlijdt, maakt de aanspraak op het partnerpensioen vanaf het moment van overlijden van de gewezen partner weer deel uit van de pensioenaanspraken van de deelnemer of gewezen deelnemer, bedoeld in het eerste en tweede lid, voor zover dit in de betrokken pensioenregeling is bepaald.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Hof Arnhem-Leeuwarden 19 januari 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:309
- Hof 's-Hertogenbosch 11 juli 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:2407
- Hof Amsterdam 30 oktober 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:4028
- Rb. Zeeland-West-Brabant 7 juli 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:7314
- Rb. Rotterdam 13 november 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:13438
- Rb. Rotterdam 30 december 2011, ECLI:NL:RBROT:2011:BW2560
- Rb. Noord-Nederland 18 mei 2022, ECLI:NL:RBNNE:2022:1700
- Rb. Noord-Holland 28 mei 2019, ECLI:NL:RBNHO:2019:4602
- Rb. Midden-Nederland 12 april 2017, ECLI:NL:RBMNE:2017:1919
- Rb. Limburg 13 november 2024, ECLI:NL:RBLIM:2024:8278
- Rb. Gelderland 2 september 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:7183
- Rb. Den Haag 10 maart 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:2390
- Rb. Amsterdam 29 mei 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3317
- Hof 's-Hertogenbosch 18 oktober 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:4312
- Hof Den Haag 14 februari 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:657
- Hof Den Haag 30 juli 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:3699
- Hof Arnhem-Leeuwarden 28 mei 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:4591
- Hof Arnhem-Leeuwarden 22 juli 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:5832
- Hof Amsterdam 31 augustus 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:2607