Art. 126 Penw., Vaststelling technische voorzieningen
1. Een pensioenfonds stelt toereikende technische voorzieningen vast met betrekking tot het geheel van pensioenverplichtingen.
2. De berekening wordt uitgevoerd met inachtneming van de volgende beginselen:
a. de technische voorzieningen worden berekend op basis van marktwaardering;
b. de voor de berekening van de technische voorzieningen gebruikte grondslagen inzake overlijden of arbeidsongeschiktheid en levensverwachting worden gebaseerd op prudente beginselen; en
c. de methode en de grondslag van de berekening van de technische voorzieningen blijven van boekjaar tot boekjaar ongewijzigd, tenzij wijzigingen daarin gerechtvaardigd zijn als gevolg van een verandering van de juridische, demografische of economische omstandigheden die aan de hypothesen ten grondslag liggen.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de wijze van berekening van het minimum bedrag van de technische voorzieningen, de daarbij in acht te nemen voorzichtigheidsmarges en kunnen regels worden gesteld over de frequentie waarmee de technische voorzieningen worden berekend.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Rb. Rotterdam 12 juni 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:8140
- Rb. Den Haag 28 juni 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:9268
- Hof Amsterdam 23 november 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:3332
- Rb. Noord-Holland 18 februari 2021, ECLI:NL:RBNHO:2021:3196
- Rb. Limburg 13 juli 2022, ECLI:NL:RBLIM:2022:10667
- Rb. Amsterdam 19 januari 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:431
- Conclusie A-G Wattel 28 augustus 2014, ECLI:NL:PHR:2014:1759