Art. 2.12 Besluit inburgering, Verlenging van de termijn
1. Een aanvraag tot verlenging van de voor de inburgeringsplichtige geldende termijnen, bedoeld in de artikelen 7a, eerste lid, en 7b, eerste lid, van de wet, kan niet eerder worden ingediend dan zes maanden voor het verstrijken van die termijn. Onze Minister geeft binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag een beschikking.
2. In bijzondere gevallen die de inburgeringsplichtige betreffen, kan Onze Minister ambtshalve besluiten tot verlenging van de voor de inburgeringsplichtige geldende termijnen, bedoeld in de artikelen 7a, eerste lid, en 7b, eerste lid, van de wet. De beschikking wordt niet eerder gegeven dan zes maanden voor het verstrijken van die termijn.
3. In de beschikking wordt de duur van de verlenging vermeld.
4. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de verlenging van de termijn.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- ABRvS 7 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:714
- Rb. Rotterdam 19 januari 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:388
- Rb. Rotterdam 30 augustus 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:8740
- Rb. Rotterdam 29 april 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:3939
- Rb. Rotterdam 18 september 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:8206
- Rb. Rotterdam 24 mei 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:4100
- Rb. Oost-Brabant 4 januari 2018, ECLI:NL:RBOBR:2018:25
- Rb. Gelderland 4 oktober 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:5121