Art. 1:1 Nrgfo Wft, Definities

Nadere regeling gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft (Nrgfo Wft)

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. administratieve kosten: kosten die zijn gemaakt in het kader van het

administreren van een beleggingsobject;

b. andere voordelen: andere posten dan opbrengsten die aan de definitie van baten

voldoen;

c. bankspaarhypotheek: product als bedoeld in de Wet van 20 december 2007, houdende

wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001 en van enige andere wetten inzake

fiscale facilitering banksparen ten behoeve van pensioenopbouw of aflossing

eigenwoningschuld, dat bestaat uit een combinatie van een hypothecair krediet en

een spaarrekening;

d. baten: vermeerderingen van het economisch potentieel gedurende de verslagperiode

in de vorm van instroom van nieuwe of verhoging van bestaande activa, dan wel

vermindering van vreemd vermogen, een en ander uitmondend in een toename van het

eigen vermogen;

e. beheerskosten: kosten die zijn gemaakt om een beleggingsobject in stand te

houden of te onderhouden;

f. beleggingsobjectkosten: geprognosticeerde of eventuele reeds gemaakte

administratieve kosten, beheers-, productie- en verkoopkosten, alsmede de

geprognosticeerde of reeds voldane rentelasten;

g. het besluit: het Besluit gedragstoezicht financiële

ondernemingen Wft;

h. complex beleggingsproduct: complex product voor zover het een verzekering met

een beleggingscomponent of verpakt retailbeleggingsproduct is, niet-zijnde een

derdepijlerpensioenproduct;

i. contractuele looptijd: duur van de overeenkomst inzake een complex product;

j. direct ingaande lijfrente: product waarbij in geval van een spaarvariant per

direct levenslang een vaste periodieke uitkering wordt ontvangen en in geval van

een beleggingsvariant een uitkering wordt ontvangen waarvan de hoogte en/of de

duur afhankelijk is van de opbrengst van de beleggingen;

k. direct ingaande uitkering: product als bedoeld in de Wet van 20 december 2007,

houdende wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001 en van enige andere wetten

inzake fiscale facilitering banksparen ten behoeve van pensioenopbouw of aflossing

eigenwoningschuld, waarbij in geval van een spaarvariant per direct gedurende een

bepaald aantal jaren een vaste periodieke uitkering wordt ontvangen en in geval

van een beleggingsvariant een uitkering wordt ontvangen waarvan de hoogte en/of de

duur afhankelijk van de opbrengst van de beleggingen;

l. garantie: garantie op het product die wordt afgegeven door een instelling die

onder kapitaaltoereikendheidstoezicht staat, waarbij ingeval van een schuldproduct

de aflossing van de schuld van de consument volledig of gedeeltelijk is

gegarandeerd en in geval van een opbouwproduct een bepaalde opbrengst is

gegarandeerd;

m. gedelegeerde verordening essentiële-informatiedocumenten: gedelegeerde

verordening (EU) 2017/653 van de Commissie van 8 maart 2017 tot aanvulling van

Verordening (EU) nr. 1286/2014 van het Europees Parlement en de Raad over

essentiële-informatiedocumenten voor verpakte retailbeleggingsproducten en

verzekeringsgebaseerde beleggingsproducten (priip’s) door de vaststelling van

technische reguleringsnormen voor de presentatie, de inhoud, de evaluatie en de

herziening van essentiële-informatiedocumenten en de voorwaarden voor het voldoen

aan het vereiste om dergelijke documenten te verstrekken (PbEU 2014,

L 352/1);

n. guise: gemiddelde uitkering in de slechtste 10 procent van de gevallen, berekend

op de in bijlage 4 aangegeven wijze;

o. hybride hypotheek, ook wel spaarbeleggingshypotheek: schuldproduct, waarbij de

consument de mogelijkheid heeft om de premie of inleg naar eigen inzicht te

gebruiken voor sparen of voor beleggen;

p. ingelegde gelden: totaal van gelden belegd door consumenten voor het verkrijgen

van beleggingsobjecten;

q. kapitaaltoereikendheidstoezicht: wettelijk bedrijfseconomisch toezicht uit

hoofde van:

1°. de richtlijn kapitaaltoereikendheid;,

2°. richtlijn nr.

2002/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese

Unie van 5 november 2002 betreffende levensverzekering (PbEG L 345/1);

3°. richtlijn nr.

2002/13/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese

Unie van 5 maart 2002 tot wijziging van Richtlijn 73/239/EEG van de Raad op

het gebied van de solvabiliteitsmargevereisten voor

schadeverzekeringsondernemingen (PbEG L 228);

4°. richtlijn nr.

2002/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese

Unie van 16 december 2002 betreffende het aanvullende toezicht op

kredietinstellingen, verzekeringsondernemingen en beleggingsondernemingen in

een financieel conglomeraat en tot wijziging van de richtlijnen nr. 73/239/EEG, nr. 79/267/EEG,

nr.

92/49/EEG, nr. 92/96/EEG, nr. 93/6/EEG en nr. 93/22/EEG van de Raad en van de

richtlijnen nr.

98/78/EG en 2000/12/EG van het Europees Parlement en de

Raad;

5°. richtlijn nr.

2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014

betreffende markten voor financiële instrumenten en tot wijziging van Richtlijn

2002/92/EG en Richtlijn 2011/61/EU (herschikking) (PbEU 2014,

L 173); of

6°. ander met het onder 1° tot en met 5° bedoeld vergelijkbaar adequaat

bedrijfseconomisch toezicht;

r. netto-rendementspercentage: percentage dat bij de bepaalde looptijd, gegeven de

omvang en frequentie van de inleg leidt tot de uitkering van een complex

product;

s. omloopfactor: indicator van de omloopsnelheid van de portefeuille van een

beleggingsinstelling of icbe in enig boekjaar;

t. onderliggende waarden: financiële instrumenten waarin de consument direct of

indirect met het complexe product belegt of doet beleggen;

u. opbouwproduct: complex product, dat wordt aangewend om kapitaal te doen groeien,

niet zijnde een recht van deelneming in een beleggingsinstelling of icbe;

v. opbrengsten: baten die ontstaan bij uitvoering van de normale activiteiten van

een onderneming;

w. opbrengstscenario: voorspelling van de uitkering aan de consument op basis van

een bepaald rendement;

x. overwaardeconstructie: schuldproduct waarbij een deel van het krediet wordt

aangewend ter belegging, niet zijnde aflossing van het krediet of een combinatie

van een schuldproduct en een onttrekkingsdepot dat dient ter financiering van

inkomensaanvulling;

y. productiekosten: kosten die zijn gemaakt in het kader van het verhogen van het

economisch potentieel of de waarde van een beleggingsobject;

z. rentedervingskosten: dat deel van de kosten dat de aanbieder van het complexe

product in rekening brengt bij of ten laste laat komen van de consument in geval

van vervroegde beëindiging en dat verband houdt met gederfde rente-inkomsten;

aa. restschuld: overblijvende financiële verplichting van de consument jegens de

aanbieder van een complex product uit hoofde van een opbouwproduct;

ab. schuldproduct: complex product, bestaande uit een combinatie van krediet, met

uitzondering van krediet dat wordt aangewend voor het verschaffen van het genot

van een complex product dat overwegend tot doel heeft kapitaal te doen groeien, en

een bestanddeel, dat wordt aangewend om te voorzien in de gehele of gedeeltelijke

aflossing van het krediet;

ac. spaarbeleggingsproduct: opbouwproduct dat bestaat uit een combinatie van een

spaar- en een beleggingsrekening;

ad. spaarhypotheek: complex product dat bestaat uit een combinatie van een

hypothecair krediet en een levensverzekering met een garantiekapitaal dat in

hoogte overeenkomt met de omvang van het krediet;

ae. uitkering: uitbetaling door de aanbieder van een complex product aan de

consument van de waarde van het complexe product onder aftrek van kosten bij

beëindiging door de consument aangevuld met voor zover van toepassing de

onttrekkingen gedaan door de consument vóór beëindiging;

af. verkoopkosten: kosten die direct kunnen worden gerelateerd aan de verkoop van

het beleggingsobject aan de consument;

ag. vermeldingsverplichting: de verplichting een vermelding, als bedoeld in artikelen 2:59, derde lid;

2:66a; 2:74, tweede lid; 2:79, derde lid; 2:85, derde lid; 4:7, tweede lid; 5:4 van de wet, op te

nemen in de toepasselijke vermeldingsuitingen;

ah. vermeldingsuitingen: de in de artikelen 2:59, derde lid;

2:66a; 2:74, tweede lid; 2:79, derde lid; 2:85, derde lid; 4:7, tweede lid; 5:4 van de wet, bedoelde

aanbiedingen, documenten, reclame-uitingen en andere onverplichte precontractuele

informatie;

ai. voorbeeldwaarde: waarde van de opbrengst bij verkoop van een recht van

deelneming in de beleggingsinstelling of icbe, waarbij verkoopkosten al zijn

afgetrokken;

aj. waarde: som van alle door de consument onderscheidenlijk deelnemer verrichte

betalingen voor een complex product aan de aanbieder plus een bepaald jaarlijks

rendement over het deel van die betalingen dat wordt aangewend ten einde rendement

te genereren ten behoeve van de consument onderscheidenlijk deelnemer;

ak. de wet: de Wet op het financieel

toezicht.