Art. 7 Bbft, Bijdragen kosten doorlopend toezicht
Besluit bekostiging financieel toezicht (Bbft)
1. De in artikel 6, tweede lid, bedoelde categorieën van financiële ondernemingen zijn, voor zover het door de Nederlandsche Bank in rekening te brengen kosten betreft:
a. clearinginstellingen;
b. banken, verdeeld in:
1°. banken waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 2:11 van de wet en ondernemingen waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, van de wet en die het in de onderdelen a of b van dat lid bedoelde bedrijf uitoefenen;
2°. banken waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 2:16 van de wet;
3°. banken waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 2:20 van de wet;
4°. banken met zetel in een andere lidstaat die op grond van artikel 2:15 van de wet hun bedrijf vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor mogen uitoefenen;
c. financiële instellingen, verdeeld in:
1°. financiële instellingen die beschikken over een verklaring van ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 3:110, eerste lid, van de wet;
2°. financiële instellingen die ingevolge artikel 2:25 van de wet in Nederland hun bedrijf mogen uitoefenen;
3°. financiële instellingen die ingevolge artikel 2:26 van de wet in Nederland hun bedrijf mogen uitoefenen;
d. zorgverzekeraars, als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Zorgverzekeringswet waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 2:27, eerste lid, van de wet;
e. verzekeraars, niet zijnde zorgverzekeraars als bedoeld in onderdeel d;
f. beheerders, verdeeld in:
1°. beheerders die rechten van deelneming aanbieden in een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 2:65, eerste lid, onderdeel a, van de wet, niet zijnde beheerders als bedoeld onder 2º;
2°. beheerders die rechten van deelneming aanbieden in een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 2:65, tweede lid, van de wet;
3°. beheerders waaraan een ontheffing is verleend;
4°. beheerders als bedoeld in artikel 2:71 van de wet, die met inachtneming van dat artikel zijn overgegaan tot verhandeling van rechten van deelneming;
5°. beheerders als bedoeld in artikel 2:72 van de wet, die met inachtneming van dat artikel zijn overgegaan tot verhandeling van rechten van deelneming;
6°. beheerders als bedoeld in artikel 2:73 van de wet, die met inachtneming van dat artikel zijn overgegaan tot verhandeling van rechten van deelneming;
g. beleggingsmaatschappijen zonder aparte beheerder;
h. beleggingsondernemingen verdeeld in:
1°. beleggingsondernemingen met zetel in Nederland die uitsluitend in de uitoefening van beroep of bedrijf handelen voor eigen rekening;
2°. beleggingsondernemingen met zetel in Nederland die in de uitoefening van een beroep of bedrijf een multilaterale handelsfaciliteit exploiteren;
3°. beleggingsondernemingen met zetel in Nederland die beleggingsdiensten verlenen;
4°. niet in Nederland gevestigde beleggingsondernemingen die in Nederland beleggingsactiviteiten verrichten;
5°. niet in Nederland gevestigde beleggingsondernemingen die niet of niet uitsluitend voor eigen rekening in Nederland beleggingsdiensten verlenen of beleggingsactiviteiten verrichten;
6°. beleggingsondernemingen die in de uitoefening van beroep of bedrijf uitsluitend adviseren over financiële instrumenten;
i. betaaldienstverlener, verdeeld in:
1°. betaaldienstverleners waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 2:3a, eerste lid, van de wet;
2°. betaaldienstverleners waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 2:3e, eerste lid, van de wet;
j. banken met zetel in Nederland die zijn opgenomen in een openbaar register als bedoeld in artikel 124b, eerste lid, van het Besluit prudentiële regels Wft;
k. entiteiten voor risico-acceptatie, verdeeld in:
1°. entiteiten voor risico-acceptatie waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 2:54a van de wet;
2°. entiteiten voor risico-acceptatie waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 2:54d van de wet;
3°. entiteiten voor risico-acceptatie met zetel in een staat die geen aangewezen staat is, die een verklaring hebben overlegd als bedoeld in artikel 2:54f van de wet;
l. premiepensioeninstellingen;
m. elektronischgeldinstellingen, verdeeld in:
1°. elektronischgeldinstellingen waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 2:10a van de wet;
2°. elektronischgeldinstellingen waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 2:10e van de wet.
2. Bij ministeriële regeling kunnen nadere categorieën worden vastgesteld.