Art. 1.62 Wko, Kinderopvang
1. De toezichthouder houdt toezicht op de naleving van artikel 1.45, derde lid, en onderzoekt na een aanvraag als bedoeld in artikel 1.45, eerste of tweede lid, binnen een bij regeling van Onze Minister te stellen termijn of de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met de bij of krachtens de artikelen 1.48d, tweede en derde lid, 1.49 tot en met 1.59, 1.60a en 1.60c gestelde regels.
2. Onverminderd het eerste lid onderzoekt de toezichthouder in redelijkheid bij ieder geregistreerd kindercentrum en geregistreerd gastouderbureau jaarlijks of de exploitatie in overeenstemming is met de bij of krachtens de artikelen 1.47, eerste lid, 1.48d, tweede en derde lid, 1.49 tot en met 1.59, 1.60a en 1.60c gestelde regels.
3. Onverminderd het eerste lid onderzoekt de toezichthouder in redelijkheid jaarlijks bij ten minste 50% van de geregistreerde voorzieningen voor gastouderopvang en ten minste eens per drie jaar bij iedere geregistreerde voorziening voor gastouderopvang per gemeente of de exploitatie in overeenstemming is met de bij of krachtens de artikelen 1.47, eerste lid, 1.48d, tweede en derde lid, en 1.49 tot en met 1.59 gestelde regels.
4. Naast het onderzoek, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, kan de toezichthouder als daar aanleiding toe is incidenteel onderzoek verrichten naar de naleving door een houder van de bij of krachtens de artikelen 1.47, eerste lid, 1.48d, tweede en derde lid, 1.49 tot en met 1.59, 1.60a, 1.60c, 1.65 en 1.66 gestelde regels.
5. Indien tijdens een onderzoek als bedoeld in het tweede tot en met het vierde lid tekortkomingen zijn geconstateerd kan de toezichthouder nadien een of meer nadere onderzoeken verrichten.
6. De toezichthouder verricht het onderzoek, bedoeld in het tweede lid, ten minste tweemaal gedurende de aanloopperiode, bedoeld in artikel 1.60b, indien het een ouderparticipatiecrèche betreft.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- ABRvS 20 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2057
- ABRvS 24 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2023
- ABRvS 6 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3763
- ABRvS 5 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:945
- ABRvS 26 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1105
- ABRvS 18 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:822
- ABRvS 24 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2022
- ABRvS 1 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:426
- ABRvS 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2104
- ABRvS 20 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4735
- ABRvS 24 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2024
- ABRvS 26 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3100
- ABRvS 9 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1440
- Rb. Zeeland-West-Brabant 30 mei 2016, ECLI:NL:RBZWB:2016:3218
- Rb. Rotterdam 8 februari 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:2641
- Rb. Midden-Nederland 18 februari 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:518
- Rb. Limburg 13 december 2017, ECLI:NL:RBLIM:2017:12238
- Rb. Den Haag 5 juni 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:8033
- Rb. Den Haag 23 maart 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:3412
- Rb. Amsterdam 31 maart 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1638