Art. 5 Besluit voorschrift informatiebeveiliging rijksdienst – bijzondere informatie, Rubriceringen en merkingen

Besluit voorschrift informatiebeveiliging rijksdienst – bijzondere informatie

1. Staatsgeheimen worden als volgt gerubriceerd:

a. Stg. ZEER GEHEIM indien kennisnemen door niet gerechtigden zeer ernstige schade kan toebrengen aan het belang van de Staat of zijn bondgenoten;

b. Stg. GEHEIM indien kennisnemen door niet gerechtigden ernstige schade kan toebrengen aan het belang van de Staat of zijn bondgenoten;

c. Stg. CONFIDENTIEEL indien kennisnemen door niet gerechtigden schade kan toebrengen aan het belang van de Staat of zijn bondgenoten.

2. Bijzondere informatie die geen staatsgeheim is, wordt als volgt gerubriceerd: Dep. VERTROUWELIJK indien kennisnemen door niet gerechtigden nadeel kan toebrengen aan het belang van één of meer ministeries.

3. De rubricering kan worden aangevuld met een merking, die een bepaalde wijze van behandelen aangeeft.

4. Indien praktisch uitvoerbaar, worden rubriceringen, merkingen en de duur van de rubricering altijd duidelijk aangebracht.

Onder rubriceren wordt verstaan: het vaststellen en aangeven dat een gegeven bijzondere informatie is en het bepalen en aangeven van de mate van beveiliging die aan deze informatie moet worden gegeven.

Het rubriceren kan worden opgesplitst in een aantal stappen. In de eerste plaats moet worden vastgesteld of informatie als staatsgeheim of als niet-staatsgeheime bijzondere informatie moet worden beschouwd. Er is sprake van een staatsgeheim als het belang van de Staat of zijn bondgenoten in het geding is en indien kennisname door niet gerechtigden kan leiden tot schade aan deze belangen.

Er is sprake van niet-staatsgeheime bijzondere informatie indien kennisname door niet gerechtigden kan leiden tot nadeel aan het belang van één of meer ministeries. Indien bij de schending van de geheimhouding het nadeel aan het belang van één of meer ministeries zo ernstig is, dat sprake is van schade, zal er doorgaans sprake zijn van schade aan de belangen van de Staat of van zijn bondgenoten en dus van een staatsgeheim.

In de tweede plaats moet de rubricering worden vastgesteld. De rubricering zelf, dat wil zeggen de mate van beveiliging die aan informatie wordt gegeven, wordt bepaald door de mate van nadeel of schade die kan worden geleden indien een niet gerechtigde kennis neemt van de informatie.

Het schema, dat in bijlage 2 van dit voorschrift is opgenomen, verduidelijkt het voorgaande.

Gedeelten van of bijlagen bij informatie kunnen onderling verschillend worden gerubriceerd. Bij die gedeelten of op die bijlagen dient de desbetreffende rubricering afzonderlijk te worden vermeld. De informatie als geheel dient tenminste zo hoog te zijn gerubriceerd als het hoogst gerubriceerde gedeelte of de hoogst gerubriceerde bijlage.

Uitgangspunt bij het rubriceren zijn de in het beleidsdocument (zie artikel 13, tweede lid) opgenomen criteria voor het rubriceren.

De wijze waarop de rubricering op de informatie moet worden aangebracht staat vermeld in de Matrix exclusiviteitseisen, bijlage 3 van dit voorschrift. Indien het niet praktisch uitvoerbaar is om de rubricering op de informatie aan te brengen, wordt de gebruiker van de informatie op de hoogte gesteld van de rubricering.

Middels een merking kan een specifieke beperking van de kring van gerechtigden worden aangegeven. Zo wordt bijvoorbeeld op het Ministerie van Defensie de merking ‘NL/GE eyes only’ gebruikt voor informatie die alleen met Duitsland mag worden uitgewisseld.