Art. 11 Zuivelverordening 2003, Inrichtingseisen zuivelbereiding, Het melken

Zuivelverordening 2003, Inrichtingseisen zuivelbereiding

1. Bij het melken moet op hygiënische wijze en onder de voorwaarden van Richtlijn nr. 89/362/EEG van de Commissie van 26 mei 1989 houdende algemene voorschriften inzake de hygiëne op melkveehouderijbedrijven (PbEG L 156) geschieden.

2. De melk moet onmiddellijk na het melken naar een schone ruimte worden gebracht die zo is ingericht dat schadelijke gevolgen voor de kwaliteit van de melk worden voorkomen.

De melk moet, wanneer zij niet binnen twee uur na het einde van het melken wordt opgehaald, worden gekoeld tot een temperatuur van 8°C of lager indien de ophaling dagelijks plaatsvindt, en van 6°C of lager indien de ophaling niet dagelijks plaatsvindt. Gedurende het vervoer naar de melkbehandelings- en/of melkverwerkingsinrichting mag de temperatuur van de gekoelde melk niet hoger zijn dan 10°C , tenzij er melk is opgehaald binnen twee uur na het einde van het melken. Om technologische redenen die verband houden met de bereiding van sommige producten op basis van melk, kan door de voorzitter, gehoord de bevoegde autoriteit, van bovenstaande temperatuurseisen ontheffing worden verleend, mits wordt voldaan aan de in de Warenwetregeling Zuivelbereiding (Stcrt. 1994, 243) neergelegden microbiologische criteria voor de bereiding van producten op basis van melk.