Art. 3 Verordening op de periodieke preventieve toetsing, De Toetsing

Verordening op de periodieke preventieve toetsing

1. De accountant draagt er zorg voor dat de accountantspraktijk waarbij hij werkzaam is of waaraan hij is verbonden, beschikt over een stelsel van kwaliteitsbeheersing dat is afgestemd op de aard, omvang en het belang van de opdrachten, niet zijnde opdrachten tot het uitvoeren van wettelijke controles en waarmee wordt voldaan aan het bepaalde bij en krachtens de Wet op de Accountants-Administratieconsulenten.

2. De accountant verleent medewerking aan de toetsing van het stelsel van kwaliteitsbeheersing van de accountantspraktijk waarbij hij werkzaam is of waaraan hij is verbonden.

3. De voorzitter kan zijn bevindingen in de vorm van een klacht ter kennis van de accountantskamer brengen indien hem bij de uitoefening van het toezicht van feiten of omstandigheden blijkt die grond kunnen opleveren tot het opleggen van een tuchtrechtelijke maatregel, althans tot gegrondverklaring van de klacht.

4. Indien bij een accountantspraktijk meerdere accountants werkzaam zijn of aan een accountantspraktijk meerdere accountants verbonden zijn, bepaalt de voorzitter voor de toepassing van het derde lid, tegen welke accountants hij een klacht aanhangig maakt.

Uitspraken die dit artikel aanhalen