Art. 1a Verordening op de periodieke preventieve toetsing, Begripsbepalingen

Verordening op de periodieke preventieve toetsing

1. Het bestuur verleent, voor zover dat zich verdraagt met afdeling 10.1.1. van de Algemene Wet bestuursrecht, voor de uitoefening van de in deze verordening aan hem verstrekte bevoegdheden mandaat, volmacht en machtiging aan de Raad.

2. Namens het bestuur kan de Raad ondermandaat verlenen voor de bevoegdheden genoemd in artikel 14, lid 1 en 6.

3. Over de inrichting en samenstelling van de Raad worden bij verordening nadere regels gesteld.