Art. 3.9a WSF 2000, Berekeningsgrondslag veronderstelde ouderlijke bijdrage hoger onderwijs
Wet studiefinanciering 2000 (WSF 2000)
Artikel 3.9 is van overeenkomstige toepassing op de bepaling van de veronderstelde ouderlijke bijdrage voor ho-studenten, met dien verstande dat:
a. voor de vrije voet, bedoeld in artikel 3.9, tweede lid, tweede volzin, naar de maatstaf van 1 januari 2014 een bedrag wordt gelezen gelijk aan € 15.000 per 1 januari 2026: € 20.750,30;
b. voor de vrije voet, bedoeld in artikel 3.9, tweede lid, laatste volzin, naar de maatstaf van 1 januari 2014 een bedrag wordt gelezen gelijk aan € 19.004 per 1 januari 2026: € 26.289,28; en
c. voor het bruto kortingsbedrag op jaarbasis, bedoeld in artikel 3.9, derde lid, een percentage wordt gelezen van 13,6% van het verschil tussen het toetsingsinkomen in het peiljaar en de vrije voet in het toekenningsjaar.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- CRvB 23 augustus 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1669
- CRvB 20 november 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1722
- Rb. Zeeland-West-Brabant 12 juli 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:4944
- Rb. Zeeland-West-Brabant 28 februari 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:1347
- Rb. Zeeland-West-Brabant 20 februari 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:1131
- Rb. Rotterdam 12 december 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:11662
- Rb. Limburg 28 oktober 2024, ECLI:NL:RBLIM:2024:7610
- Rb. Den Haag 25 oktober 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:15913
- CRvB 19 februari 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:178