Art. 2.10 Wet IB 2001, Tarief belastbaar inkomen uit werk en woning
Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001)
1. De belasting op het belastbare inkomen uit werk en woning (afdeling 3.1 respectievelijk afdeling 7.2) wordt bepaald aan de hand van de volgende tabel.
2. Indien bij het bepalen van het belastbare inkomen uit werk en woning een of meer bedragen ter zake van grondslagverminderende posten als bedoeld in het derde lid in aftrek zijn gebracht, bedraagt de belasting op het belastbare inkomen uit werk en woning het op basis van het eerste lid bepaalde bedrag vermeerderd met 11,94% van het bedrag waarmee de som van het belastbare inkomen uit werk en woning en de in aftrek gebrachte bedragen ter zake van grondslagverminderende posten als bedoeld in het derde lid, het in de eerste kolom van de in het eerste lid opgenomen tabel laatstvermelde bedrag te boven gaat, doch ten hoogste met 11,94% van de in aftrek gebrachte bedragen ter zake van grondslagverminderende posten als bedoeld in het derde lid.
3. De grondslagverminderende posten, bedoeld in het tweede lid, zijn:
a. de ondernemersaftrek, bedoeld in artikel 3.74;
b. de MKB-winstvrijstelling, bedoeld in artikel 3.79a, mits het gezamenlijke bedrag van de met de ondernemersaftrek verminderde winst, bedoeld in artikel 3.79a, positief is;
c. de terbeschikkingstellingsvrijstelling, bedoeld in artikel 3.99b, mits het gezamenlijke bedrag van het resultaat uit werkzaamheden, bedoeld in artikel 3.99b, tweede lid, positief is;
d. de aftrekbare kosten met betrekking tot een eigen woning, bedoeld in artikel 3.120;
e. de persoonsgebonden aftrek, bedoeld in artikel 6.1.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Conclusie A-G Koopman 22 november 2024, ECLI:NL:PHR:2024:1255
- Conclusie A-G Wattel 15 juli 2020, ECLI:NL:PHR:2020:695
- Hof Arnhem-Leeuwarden 19 april 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:3301
- Rb. Noord-Holland 2 november 2016, ECLI:NL:RBNHO:2016:9203
- Rb. Den Haag 31 mei 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:8822
- Conclusie A-G Wattel 31 maart 2015, ECLI:NL:PHR:2015:491
- Conclusie A-G Niessen 11 december 2009, ECLI:NL:PHR:2009:BI9747
- Hof Den Haag 13 mei 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:861
- Hof Den Haag 15 februari 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:398
- Hof Amsterdam 29 augustus 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:2405
- Rb. Zeeland-West-Brabant 16 maart 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:1910
- Rb. Zeeland-West-Brabant 20 januari 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:279
- Rb. Zeeland-West-Brabant 18 augustus 2016, ECLI:NL:RBZWB:2016:5321
- Rb. Noord-Nederland 1 september 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:3758
- Rb. Den Haag 1 juli 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:7829
- Rb. Breda 24 februari 2012, ECLI:NL:RBBRE:2012:BV9855
- Conclusie A-G Frielink 17 maart 2026, ECLI:NL:PHR:2026:267
- Conclusie A-G Pauwels 27 februari 2026, ECLI:NL:PHR:2026:202
- Conclusie A-G Wattel 15 juli 2020, ECLI:NL:PHR:2020:694
- Conclusie A-G Niessen 9 oktober 2013, ECLI:NL:PHR:2013:1137