Art. 28a Arbowet, Bevel stillegging van werk in verband met recidive
Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet)
1. Een daartoe door Onze Minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar kan, nadat een overtreding van een voorschrift of verbod bij of krachtens deze wet is geconstateerd die bestuurlijk beboetbaar is gesteld of op grond van de Wet op de economische delicten strafbaar is gesteld, aan de werkgever of de zelfstandige een schriftelijke waarschuwing geven dat bij herhaling van de overtreding of bij een latere overtreding van eenzelfde in de waarschuwing aangegeven wettelijke verplichting of verbod of bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen soortgelijke verplichtingen of verboden, door hem een bevel kan worden opgelegd dat door hem aangewezen werkzaamheden voor ten hoogste drie maanden worden gestaakt dan wel niet mogen worden aangevangen. De artikelen 24, tweede lid, en 27, vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
2. Indien een waarschuwing als bedoeld in het eerste lid is gegeven en herhaling van de overtreding of een latere overtreding als bedoeld in het eerste lid is geconstateerd, kan door de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, aan de werkgever of de zelfstandige bij beschikking een bevel als bedoeld in het eerste lid worden opgelegd dat wordt opgevolgd met ingang van het in de beschikking aangeven tijdstip. Deze beschikking wordt niet gegeven zolang wegens de eerste overtreding, bedoeld in het eerste lid, nog niet een bestuurlijke boete is opgelegd of een proces-verbaal is opgemaakt.
3. De constatering van de overtreding, bedoeld in het eerste of tweede lid, wordt vastgelegd in een boeterapport of proces-verbaal.
4. De waarschuwing, bedoeld in het eerste lid, vervalt indien na de dagtekening van de waarschuwing vijf jaren zijn verstreken.
5. De ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, is bevoegd met betrekking tot het bevel, bedoeld in het tweede lid, de nodige maatregelen te treffen, de nodige aanwijzingen te geven en de hulp van de sterke arm in te roepen.
6. Ieder wie zulks aangaat is verplicht zich te gedragen overeenkomstig een bevel als bedoeld in het tweede lid en een maatregel of aanwijzing als bedoeld in het vijfde lid.
7. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot het eerste en tweede lid.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- ABRvS A-G Widdershoven 24 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:249
- ABRvS 2 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1449
- ABRvS 2 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2086
- ABRvS 21 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3856
- ABRvS 21 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:970
- Rb. Rotterdam 8 april 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:3097
- ABRvS 11 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3667
- ABRvS 14 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3188
- ABRvS 6 oktober 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2229
- Rb. Limburg 14 september 2023, ECLI:NL:RBLIM:2023:5471
- Rb. Limburg 1 juni 2016, ECLI:NL:RBLIM:2016:4594
- Rb. Gelderland 9 augustus 2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:4400
- ABRvS 23 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5672
- ABRvS 6 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2596
- ABRvS 26 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:785
- ABRvS 24 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1864
- ABRvS 6 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:944
- ABRvS 23 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:191
- ABRvS 30 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1782
- Rb. Zeeland-West-Brabant 29 juli 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:4250