Art. 15 Honden- en kattenbesluit 1999, Huisvesting en verzorging
1. Iedere drachtige of zogende hond of kat heeft in een binnenverblijf de beschikking over een nestruimte.
2. De kortste zijde van de nestruimte, bedoeld in het eerste lid, heeft een lengte van tenminste 2 maal de schofthoogte van de hond of kat waarvoor de nestruimte bestemd is.
3. Iedere hond heeft in een binnen- of buitenverblijf de beschikking over een schone en droge ligplaats die vanuit de bodem van het verblijf optrekkende kou isoleert.