Art. 19 PBW, Mate van gemeenschap
Penitentiaire beginselenwet (PBW)
1. De tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel in een inrichting vindt plaats in een gemeenschapsregime, tenzij plaatsing in een individueel regime noodzakelijk is.
2. Onze Minister bepaalt de criteria waaraan gedetineerden moeten voldoen om voor plaatsing in een gemeenschapsregime, alsmede voor plaatsing in een voor hen persoonlijk dan wel voor de gemeenschappelijke onderbrenging van gedetineerden bestemde verblijfsruimte, in aanmerking te komen.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Hof Amsterdam 29 juni 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:2497
- Hof Amsterdam 29 juni 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:2496
- Hof Amsterdam 29 juni 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:2618
- Hof Amsterdam 29 juni 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:2508
- Rb. 's-Gravenhage 24 november 2004, ECLI:NL:RBSGR:2004:AR7217
- Rb. Den Haag 14 maart 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:3093
- Rb. Den Haag 24 juni 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:7653
- Conclusie A-G Harteveld 18 december 2018, ECLI:NL:PHR:2018:1386
- Hof Den Haag 5 november 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:2929
- Hof Den Haag 16 december 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:3961