Art. 19 Besluit hardheidsgevallen herstructurering varkenshouderij, Vervreemding niet-gebonden mestproductierecht gecompenseerd door verkrijging grondgebonden mestproductierecht of aankoop niet gebonden mestproductierecht voor andere diersoorten
Besluit hardheidsgevallen herstructurering varkenshouderij
1. Het varkensrecht en het fokzeugenrecht van een daartoe aangemeld bedrijf waarvan het niet-gebonden mestproductierecht voor varkens en kippen ten gevolge van de registratie in of na 1996 van een uiterlijk op 9 juli 1997 gedane kennisgeving van verplaatsing met betrekking tot dat recht is verkleind, en de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond dan wel het niet gebonden mestproductierecht voor andere diersoorten dan varkens en kippen in de periode van 1 januari 1996 tot 10 juli 1997 is vergroot, worden bepaald overeenkomstig hoofdstuk II, uitgezonderd artikel 14, en artikel 24 van de wet, met dien verstande dat de artikelen 9 en 10 van de wet wat de in die artikelen bedoelde verkleiningen betreft, buiten toepassing blijven, voorzover de som van die verkleiningen overeenkomt met 90% van het aantal varkenseenheden dat wordt bepaald door:
a. het aantal hectaren waarmee de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond in de periode van 1 januari 1996 tot 10 juli 1997 per saldo is vergroot, te vermenigvuldigen met 125 kilogram fosfaat en de uitkomst te delen door 7,4 kilogram fosfaat, dan wel
b. het aantal kilogrammen fosfaat waarmee het niet gebonden mestproductierecht voor andere diersoorten dan varkens en kippen ten gevolge van in of na 1996 uiterlijk op 9 juli 1997 gedane kennisgevingen van verplaatsing met betrekking tot dat recht per saldo is vergroot, te delen door 7,4 kilogram fosfaat.
2. Indien het varkensrecht en het fokzeugenrecht worden bepaald overeenkomstig artikel 7 van de wet, wordt in het eerste lid in plaats van «1996» telkens gelezen «1995» en wordt in plaats van «De artikelen 9 en 10» gelezen: De artikelen 7, vierde lid en vijfde lid, laatste volzin, en 10.
3. Indien het varkensrecht en het fokzeugenrecht worden bepaald overeenkomstig paragraaf 1,2, 4, 5, 7, 7A, 7B of 7C van dit hoofdstuk, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in dat lid in plaats van «de artikelen 9 en 10 van de wet» wordt gelezen: de artikelen 5, eerste, tweede en derde lid, 8, vierde lid, 15, tweede lid, 21b, derde lid, onderscheidenlijk 21f, vierde lid, van dit hoofdstuk.
4. Indien het varkensrecht en het fokzeugenrecht worden bepaald overeenkomstig paragraaf 1 van dit besluit, wordt in het eerste lid in plaats van «1996» telkens gelezen «1994».