Art. 26 IJkregeling gasmeters, Bijzondere voorschriften voor elektronische inrichtingen

IJkregeling gasmeters

1. De blootstelling aan omgevingscondities van elektronische inrichtingen in gebruiksomstandigheden overeenkomstig klasse B bestaat voorts uit:

a. plaatsing van de inrichting in een ruimte met een temperatuur van 25 °C ± 3 °C, bij een relatieve vochtigheid van ten minste 95%;

b. twee cycli van 24 uur, waarin achtereenvolgens:

1º. in 3 uur ± 30 minuten de temperatuur wordt opgevoerd naar 40 °C, waarbij de relatieve vochtigheid gehandhaafd blijft op ten minste 95%, uitgezonderd de laatste 15 minuten, waarin de vochtigheid ten minste 90% bedraagt;

2º. de temperatuur van 40 °C wordt gehandhaafd tot 12 uur ± 30 minuten na het begin van de cyclus bij een relatieve vochtigheid van 93%;

3º. in 3 uur ± 30 minuten de temperatuur wordt verlaagd tot 25 °C, waarbij de relatieve vochtigheid ten minste 95% bedraagt, uitgezonderd de laatste 15 minuten, waarin de vochtigheid ten minste 90% bedraagt;

4º. de temperatuur van 25 °C ± 3 °C wordt gehandhaafd bij een relatieve vochtigheid van 95%, totdat de cyclus van 24 uur is voltooid.

2. De blootstelling aan omgevingscondities, bedoeld in het eerste lid, is van overeenkomstige toepassing op elektronische inrichtingen in gebruiksomstandigheden overeenkomstig de klassen C en F, met dien verstande dat in afwijking van het eerste lid, onder b, 2°, de temperatuur tot 55 °C wordt opgevoerd.

3. De luchtvochtigheid wordt zodanig geregeld, dat condensvorming mogelijk blijft.