Art. 1 IJkregeling gasmeters, Inleidende bepalingen

IJkregeling gasmeters

In deze regeling wordt verstaan onder:

de IJkwet;

de bijlage, behorende bij de EEG-IJkregeling gasmeters;

de balgen-, rotor- en schoepenradgasmeters, bedoeld in de punten II.1, III.1.1 en III.1.2 van de bijlage;

het onderzoek, bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de wet;

de keuring, bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de wet;

de herhaalde keuring, bedoeld in artikel 11, vierde lid, van de wet;

het onderzoek, bedoeld in artikel 5:18 van de Algemene wet bestuursrecht;

de verklaring, bedoeld in artikel 11a, tweede lid, van de wet;

het ijkmerk, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wet;

het volume gas, dat per tijdseenheid door de gasmeter stroomt;

het grootste debiet, waarvoor een gasmeter in verband met zijn samenstelling is bestemd;

het debiet, beneden hetwelk de fouten in de aanwijzing van een gasmeter de daarvoor vastgestelde maximaal toelaatbare waarden kunnen overschrijden;

condities van het gas, waarvan de gasmeter het volume meet, op de plaats van de meting;

condities, behorende bij het volume waarnaar het volume onder meetcondities wordt herleid;

een op een gasmeter aangesloten instrument, dat het door een gasmeter aangewezen volume van een door die meter gestroomde hoeveelheid gas herleidt tot het daarmede bij een bepaalde referentiedruk of -temperatuur, dan wel een combinatie daarvan, overeenkomende volume en dit herleide volume aanwijst;

een omgevingstemperatuur tussen -10 °C en +40 °C of tussen -25 °C en +55 °C, zoals aangegeven door de fabrikant;

een omgevingstemperatuur tussen +15 °C en +25 °C;

een aanwijsinrichting, die de functie van een gewone aanwijsinrichting overneemt nadat een storing is opgetreden.