Art. 6 Uitv besl MRB 1994, Tarief
Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994 (Uitv besl MRB 1994)
1. Artikel 30 van de wet vindt toepassing voor
a. een bestelauto die wordt gebruikt voor het vervoer van kermis- of circusbenodigdheden: indien de bestelauto uitsluitend als zodanig wordt gebruikt en wordt gehouden door een kermis- of circusexploitant;
b. een bestelauto die is ingericht als werktuig: indien de bestelauto als zodanig uiterlijk herkenbaar is, het als zodanig wordt gebruikt op vaste plaatsen en daarmee niet meer dan zestig dagen gedurende iedere opeenvolgende periode van vier aaneengesloten tijdvakken na het eerste tijdvak waarop artikel 30, eerste lid, van de wet van toepassing is, dan wel, in het geval een kortere vrijstellingsperiode van toepassing is, niet meer dan vijftien dagen per tijdvak van de weg gebruik wordt gemaakt en het gebruik uitsluitend dient voor de verplaatsing naar een andere werkplek;
c. een bestelauto die is ingericht als werkplaats: indien de bestelauto is voorzien van een laadruimte waarin permanent een werkbank is aangebracht, het met het oog op de te verrichten werkzaamheden noodzakelijke gereedschap permanent daarin aanwezig is, de bestelauto uitsluitend als zodanig wordt gebruikt en daarmee niet meer dan zestig dagen gedurende iedere opeenvolgende periode van vier aaneengesloten tijdvakken na het eerste tijdvak waarop artikel 30, eerste lid, van de wet van toepassing is, dan wel, in het geval een kortere vrijstellingsperiode van toepassing is, niet meer dan vijftien dagen per tijdvak van de weg gebruik wordt gemaakt en het gebruik uitsluitend dient voor de verplaatsing naar een andere werkplek.
2. De toepassing van artikel 30, eerste lid, van de wet vindt plaats op verzoek.
3. Het verzoek wordt bij de inspecteur ingediend voor de aanvang van het eerste tijdvak waarover om de toepassing van artikel 30, eerste lid, van de wet wordt verzocht.
4. Bij het verzoek worden bescheiden overgelegd waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de in het eerste lid gestelde voorwaarden, alsmede een opgave van het kenteken van het motorrijtuig.
5. Wanneer een motorrijtuig niet meer voldoet aan de in het eerste lid gestelde voorwaarden doet de belastingplichtige daarvan opgaaf aan de inspecteur.
6. De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking. Tenzij in de beschikking anders is bepaald, werkt deze terug tot op het tijdstip waarop het eerste tijdvak aanvangt waarop het verzoek betrekking heeft.
7. Indien aan de in het eerste lid bedoelde voorwaarden niet langer wordt voldaan, trekt de inspecteur de beschikking in. De intrekking geschiedt bij voor bezwaar vatbare beschikking.
8. Indien degene aan wie de beschikking is verleend niet voldoet aan de verplichting bedoeld in het vijfde lid, wordt de beschikking geacht te zijn vervallen op het tijdstip waarop aan de in het eerste lid gestelde voorwaarden niet meer wordt voldaan.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Rb. Zeeland-West-Brabant 26 januari 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:484
- Hof Den Haag 18 april 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:1678
- Rb. Zeeland-West-Brabant 2 december 2016, ECLI:NL:RBZWB:2016:7654
- Rb. Leeuwarden 2 mei 2007, ECLI:NL:RBLEE:2007:BA5718
- HR 28 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS4109
- HR 24 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3175
- Hof 's-Hertogenbosch 3 mei 2006, ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ3919
- Hof 's-Hertogenbosch 4 juni 2003, ECLI:NL:GHSHE:2003:AK3813
- Hof Arnhem 19 november 2001, ECLI:NL:GHARN:2001:AD6857
- Hof Arnhem 2 juli 2001, ECLI:NL:GHARN:2001:AB2921
- Hof Arnhem 28 januari 1999, ECLI:NL:GHARN:1999:AA1467
- Hof Arnhem 9 september 1999, ECLI:NL:GHARN:1999:AA1380
- Hof Arnhem 18 oktober 1999, ECLI:NL:GHARN:1999:AA1358
- Hof Arnhem 23 juni 1998, ECLI:NL:GHARN:1998:AA1150
- Hof Amsterdam 21 juni 2001, ECLI:NL:GHAMS:2001:AB2349
- Hof Amsterdam 30 oktober 2000, ECLI:NL:GHAMS:2000:AA8668