Art. 5 Wet vps
Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (Wet vps)
1. Bij huwelijkse voorwaarden of bij een bij geschrift gesloten overeenkomst met het oog op de scheiding kunnen de echtgenoten in geval van echtscheiding dan wel beëindiging van het geregistreerd partnerschap anders dan door de dood of vermissing overeenkomen, dat artikel 2, tweede tot en met zesde lid, buiten toepassing blijft en dat de echtgenoot die anders een recht op uitbetaling van pensioen zou hebben verkregen in de plaats van dat recht en zijn aanspraak op partnerpensioen jegens het uitvoeringsorgaan een eigen recht op pensioen verkrijgt. De overeenkomst is slechts geldig indien aan de overeenkomst een verklaring van het betrokken uitvoeringsorgaan is gehecht dat het instemt met bedoelde omzetting.
2. Mits de echtgenoten binnen twee jaar na het tijdstip van scheiding een gewaarmerkt afschrift of uittreksel van de in het eerste lid bedoelde overeenkomst aan het uitvoeringsorgaan hebben overgelegd, is het uitvoeringsorgaan gebonden aan hetgeen door de echtgenoten is overeengekomen doch slechts voor wat betreft de periode gelegen na ontvangst van het afschrift of uittreksel van de overeenkomst. Indien de echtgenoten zulks nalaten kan deze overeenkomst niet aan het uitvoeringsorgaan worden tegengeworpen, zelfs indien de overeenkomst ingeschreven was in het openbaar huwelijksgoederenregister bedoeld in artikel 116, Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.
3. Na ontvangst van het afschrift of uittreksel van de in het eerste lid bedoelde overeenkomst verstrekt het uitvoeringsorgaan aan de tot verevening gerechtigde echtgenoot een bewijsstuk van zijn eigen recht op pensioen. De andere echtgenoot ontvangt daarvan een afschrift; hij ontvangt voorts een opgave van zijn verminderd pensioen.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Rb. Zeeland-West-Brabant 21 februari 2020, ECLI:NL:RBZWB:2020:864
- Rb. Utrecht 21 maart 2007, ECLI:NL:RBUTR:2007:BA3081
- Rb. Rotterdam 15 januari 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:551
- Rb. Rotterdam 25 april 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:3402
- Rb. Oost-Brabant 28 mei 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:2892
- Rb. Midden-Nederland 25 april 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:1656
- Rb. Den Haag 11 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5428
- Rb. Den Haag 31 mei 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:21849
- Rb. Den Haag 8 februari 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:7373
- Rb. Den Haag 26 februari 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:1972
- Rb. Amsterdam 13 december 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:7818
- Rb. Amsterdam 14 april 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:3207
- Rb. Amsterdam 31 januari 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:1755
- Conclusie A-G Pauwels 27 februari 2026, ECLI:NL:PHR:2026:202
- Conclusie A-G Van den Berge 22 november 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA8425
- Hof 's-Hertogenbosch 14 april 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:1271
- Hof Den Haag 9 juli 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:2275
- Hof Arnhem-Leeuwarden 2 september 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5596
- Hof Arnhem-Leeuwarden 29 maart 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:2382
- Hof Amsterdam 12 juli 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:2043