Rb. Oost-Brabant 28 mei 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:2892
Vordering tot afstorting van aan de vrouw toekomende pensioenrechten die tijdens het huwelijk zijn opgebouwd in de onderneming van de man. De vrouw heeft op grond van de huwelijkse voorwaarden recht op conversie van zowel ouderdomspensioen als partnerpensioen. De man is niet gehouden om ter financiering van de afstortingsverplichting van zijn onderneming de (indirect) door hem gehouden aandelen te vervreemden. Uitgangspunt is dat de man vanaf 2010 bij zijn privé-onttrekkingen rekening diende te houden met de op handen zijnde echtscheiding en zijn daarmee samenhangende verplichting om zorg te dragen voor afstorting ten behoeve van de vrouw. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval kan indien sprake is van niet te rechtvaardigen onttrekkingen door de man, de afstortingsverplichting mede komen te rusten op de man. De rechtbank zal een deskundige benoemen ter beantwoording van een aantal vragen.
De uitspraak op rechtspraak.nl