Art. 3 Begrotings- en jaarrekeningsmodel 1992, De begroting en de exploitatierekening naar kosten- en opbrengstsoorten

Begrotings- en jaarrekeningsmodel 1992

1. In de begroting en de exploitatierekening naar kosten- en opbrengstsoorten moeten de volgende kostensoorten worden onderscheiden:

a. rentelasten;

b. afschrijvingen;

c. salarissen huidig personeel en bestuurders;

d. uitkeringen aan voormalige personeelsleden en bestuurders;

e. sociale lasten;

f. overige personeelslasten;

g. personeel van derden;

h. gebruiksgoederen;

i. verbruiksgoederen;

j. energie en water;

k. huren, pachten en andere rechten;

l. verzekeringen;

m. belastingen;

n. onderhoud door derden;

o. overige diensten door derden en bijdragen aan derden;

p. toevoegingen aan voorzieningen;

q. onvoorzien.

2. In de begroting en de exploitatierekening naar kosten- en opbrengstsoorten moeten de volgende opbrengstsoorten worden onderscheiden:

a. rentebaten;

b. dividenden en bonus-uitkeringen;

c. baten in verband met salarissen en sociale lasten;

d. opbrengst goederen, werken en diensten voor derden;

e. opbrengst uit eigendommen;

f. waterschapsbelastingen;

g. bijdragen van derden;

h. onttrekkingen aan voorzieningen;

i. onttrekkingen aan reserves;

j. geactiveerde lasten.

3. Voor de wijze waarop de in het eerste en tweede lid genoemde kosten- en opbrengstsoorten moeten worden geïnterpreteerd, gelden de in bijlage I van deze regeling opgenomen omschrijvingen.

Uitspraken die dit artikel aanhalen