Art. 6 Hvw, Aanwijzing van vergunningplichtige woonruimte
1. Een aanwijzing als bedoeld in artikel 5, kan niet betreffen:
a. woonruimten, bestemd voor inwoning;
b. woonwagens;
c. woonschepen.
2. Behoudens het bepaalde in het vierde lid, kan, indien de koopprijs onderscheidenlijk de huurprijs daarvan de ter zake in het derde lid gestelde grens te boven gaat, een aanwijzing evenmin betreffen:
a. woonruimten die in gebruik zullen worden genomen door de eigenaar ervan in de zin van het Burgerlijk Wetboek, en die hetzij niet eerder bewoond zijn geweest, hetzij sedert de eerste ingebruikname, dan wel gedurende ten minste de zes maanden waarin zij laatstelijk bewoond zijn geweest, bewoond werden door de eigenaar ervan in de zin van het Burgerlijk Wetboek, en
b. andere woonruimten dan bedoeld onder a.
3. De grenzen bedoeld in het tweede lid, bedragen:
a. voor de aanwijzing van woonruimten als bedoeld in dat lid, onder a: het in de betrokken gemeente geldende hoogste bedrag voor de koopsom van een woonruimte, voor het verkrijgen in eigendom waarvan aan degene die zodanige woonruimte als eigenaar zal bewonen, afhankelijk van de hoogte van diens inkomen, krachtens wettelijk voorschrift van overheidswege subsidie kan worden verstrekt;
b. voor de aanwijzing van woonruimten als bedoeld in dat lid, onder b: een twaalfde deel van het bedrag, op het tijdstip van de aanwijzing genoemd in artikel 16 van de Wet individuele huursubsidie (Stb. 1990, 394), dan wel het bedrag op het tijdstip van de aanwijzing genoemd in artikel 13, eerste lid, onder a, van de Huursubsidiewet dan wel de Wet op de huurtoeslag.
4. In afwijking van het bepaalde in het tweede lid, kunnen woonruimten als daar bedoeld worden aangewezen, voor zover zodanige aanwijzing in het belang van een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van woonruimte noodzakelijk is in verband met uit bovengemeentelijk ruimtelijk beleid voortvloeiende geringe mogelijkheden tot uitbreiding van de woonruimtevoorraad in de betrokken gemeente of in een of meer kernen, behorend tot die gemeente.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- HR 21 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW6730
- Hof 's-Gravenhage 9 maart 2007, ECLI:NL:GHSGR:2007:BA3566
- ABRvS 3 december 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AN9242
- Rb. Zutphen 27 oktober 2004, ECLI:NL:RBZUT:2004:AR4724
- Rb. Zutphen 27 oktober 2004, ECLI:NL:RBZUT:2004:AR4723
- Rb. 's-Gravenhage 20 mei 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ4191
- Rb. Rotterdam 13 maart 2001, ECLI:NL:RBROT:2001:AE8955
- Rb. Rotterdam 13 maart 2001, ECLI:NL:RBROT:2001:AE7617
- Rb. Arnhem 15 augustus 2007, ECLI:NL:RBARN:2007:BB2035
- Conclusie A-G Keus 21 september 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BW6730
- Conclusie A-G Keus 14 april 2006, ECLI:NL:PHR:2006:AU8946
- Hof Arnhem-Leeuwarden 6 oktober 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:8752
- Hof Arnhem-Leeuwarden 18 januari 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:381
- Hof Amsterdam 22 september 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BK8614