Art. 3:27 BW, Inschrijvingen betreffende registergoederen
Burgerlijk Wetboek Boek 3 (BW3)
1. Hij die beweert enig recht op een registergoed te hebben, kan alle belanghebbenden bij openbare oproeping, en daarnaast hen die als rechthebbende of beslaglegger op dat goed ingeschreven staan, ieder bij name dagvaarden om te horen verklaren dat hem het recht waarop hij aanspraak maakt, toekomt. Alvorens een zodanige eis toe te wijzen, kan de rechter de maatregelen bevelen en de bewijsopdrachten doen, welke hij in het belang van mogelijke niet-verschenen rechthebbenden nuttig oordeelt. Een krachtens dit artikel verkregen verklaring wordt niet in de registers ingeschreven, voordat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan.
2. Tegen het vonnis is geen verzet toegelaten. Hoger beroep en cassatie staan volgens de gewone regels open, behoudens de volgende uitzonderingen. Artikel 335 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is niet van toepassing. De dagvaarding waarbij het rechtsmiddel wordt ingesteld, moet op straffe van niet-ontvankelijkheid binnen acht dagen worden ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 433 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De termijn voor hoger beroep begint voor niet-verschenen belanghebbenden te lopen vanaf de betekening van de uitspraak aan hen bij name, voor zover zij ingeschreven waren, of bij openbaar exploit, zo zij niet ingeschreven waren. Cassatie staat alleen open voor verschenen belanghebbenden.
3. De krachtens lid 1 ingeschreven verklaring wordt ten aanzien van niet-verschenen belanghebbenden die niet bij name zijn gedagvaard, vermoed juist te zijn, zolang het tegendeel niet bewezen is. Op de onjuistheid kan echter geen beroep worden gedaan ten nadele van hen die, daarmee onbekend, de verkrijger van het vonnis onder bijzondere titel zijn opgevolgd.
4. Een openbare oproeping als bedoeld in lid 1 geschiedt overeenkomstig artikel 54, tweede en derde lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Een openbaar exploot als bedoeld in lid 2 geschiedt op dezelfde wijze, tenzij de rechter nadere maatregelen voorschrijft als bedoeld in lid 1. De in lid 1 bedoelde maatregelen kunnen bestaan in het voorschrijven van al of niet herhaalde aankondigingen van een door de rechter vast te stellen inhoud in één of meer binnen- of buitenlandse dagbladen.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- HR 18 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2640
- Conclusie A-G Wattel 10 mei 2019, ECLI:NL:PHR:2019:496
- Conclusie A-G Rank-Berenschot 24 juni 2016, ECLI:NL:PHR:2016:553
- Conclusie A-G Snijders 2 september 2022, ECLI:NL:PHR:2022:779
- Hof Amsterdam 23 juni 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:2757
- Conclusie A-G Hartlief 6 oktober 2023, ECLI:NL:PHR:2023:874
- Conclusie A-G Snijders 7 juli 2023, ECLI:NL:PHR:2023:659
- Hof Den Haag 28 maart 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:517
- Conclusie A-G Hartlief 13 maart 2026, ECLI:NL:PHR:2026:280
- Conclusie A-G Valk 6 oktober 2023, ECLI:NL:PHR:2023:875
- Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 18 januari 2023, ECLI:NL:OGHACMB:2023:80
- Hof 's-Hertogenbosch 16 maart 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:763
- Hof 's-Hertogenbosch 27 februari 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:812
- Hof Den Haag 17 februari 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:281
- Hof Amsterdam 8 mei 2003, ECLI:NL:GHAMS:2003:AO2388
- Rb. Rotterdam 19 februari 2014, ECLI:NL:RBROT:2014:1142
- Rb. Overijssel 20 juli 2016, ECLI:NL:RBOVE:2016:4282
- Rb. Oost-Nederland 30 januari 2013, ECLI:NL:RBONE:2013:BZ3481
- Rb. Oost-Brabant 14 april 2020, ECLI:NL:RBOBR:2020:2250
- Rb. Noord-Nederland 27 augustus 2014, ECLI:NL:RBNNE:2014:4581