Art. 3:206 BW, Vruchtgebruik
Burgerlijk Wetboek Boek 3 (BW3)
1. De vruchtgebruiker moet voor de nakoming van zijn verplichtingen jegens de hoofdgerechtigde zekerheid stellen, tenzij hij hiervan is vrijgesteld of de belangen van de hoofdgerechtigde reeds voldoende zijn beveiligd door de instelling van een bewind.
2. Is de vruchtgebruiker van het stellen van zekerheid vrijgesteld, dan kan de hoofdgerechtigde jaarlijks verlangen dat hem de aan het vruchtgebruik onderworpen zaken worden getoond. Ten aanzien van waardepapieren en gelden kan, behoudens bijzondere omstandigheden, met overlegging van een verklaring van een geregistreerde krediet-instelling worden volstaan.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Rb. Den Haag 6 februari 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:1065
- Hof Den Haag 15 december 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:2274
- Rb. Midden-Nederland 24 februari 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:1185
- Conclusie A-G Rank-Berenschot 18 maart 2022, ECLI:NL:PHR:2022:260
- Rb. Zwolle-Lelystad 11 mei 2010, ECLI:NL:RBZLY:2010:BM6006
- Rb. Noord-Holland 16 augustus 2017, ECLI:NL:RBNHO:2017:6960
- Rb. Noord-Holland 29 november 2016, ECLI:NL:RBNHO:2016:11504
- Rb. Noord-Holland 10 oktober 2014, ECLI:NL:RBNHO:2014:13450
- Rb. Limburg 5 april 2023, ECLI:NL:RBLIM:2023:2373
- Rb. Den Haag 19 juli 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:12615
- Hof Arnhem-Leeuwarden 17 maart 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:2328
- Hof Arnhem-Leeuwarden 27 maart 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:2867
- Hof Amsterdam 4 april 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:1154