Art. 7:127 BW, Consumentenkredietovereenkomsten betreffende voor bewoning bestemde onroerende zaken
1. De consument heeft het recht om zich vóór het verstrijken van de kredietovereenkomst geheel of gedeeltelijk van zijn verplichtingen op grond van de kredietovereenkomst te kwijten. In dat geval heeft de consument recht op een vermindering van de totale kredietkosten die gelijk is aan de rente en de kosten voor de resterende duur van de overeenkomst.
2. De kredietgever kan in de kredietovereenkomst opnemen dat een vervroegde aflossing alleen is toegestaan op bepaalde data, met inachtneming van een bepaalde termijn of termijnen, met inachtneming van bepaalde minimumbedragen, dan wel tegen betaling van een vergoeding.
3. Indien in de kredietovereenkomst is overeengekomen dat de kredietgever in geval van een vervroegde aflossing recht heeft op een vergoeding, is deze vergoeding een eerlijke en objectief verantwoorde vergoeding voor mogelijke kosten die rechtstreeks aan vervroegde aflossing verbonden zijn. De vergoeding mag het door de kredietgever geleden financiële nadeel niet overschrijden. Aan de consument mag geen boete worden opgelegd.
4. Indien de consument vóór het verstrijken van de kredietovereenkomst aan zijn verplichtingen op grond van de kredietovereenkomst wenst te voldoen, deelt de kredietgever hem onmiddellijk na ontvangst van diens verzoek, op papier of op een andere duurzame drager, de informatie mee die hij nodig heeft om die mogelijkheid te kunnen overwegen. De kredietgever verstrekt aan de consument ten minste een berekening van de gevolgen voor de consument die vóór het verstrijken van de kredietovereenkomst aan zijn verplichtingen voldoet met een duidelijke vermelding van de daarbij gehanteerde hypothesen, die elk redelijk en verdedigbaar zijn.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Hof Den Haag 11 oktober 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:1983
- Rb. Midden-Nederland 20 juni 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:2747
- Rb. Amsterdam 24 april 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:2888
- Hof Arnhem-Leeuwarden 29 september 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:7801
- Hof Amsterdam 11 mei 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1365
- Hof Amsterdam 15 december 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:3476
- Rb. Rotterdam 26 juni 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:5423
- Rb. Limburg 13 juni 2018, ECLI:NL:RBLIM:2018:5616
- Rb. Amsterdam 15 januari 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:802
- Rb. Amsterdam 24 april 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:3075
- Conclusie A-G Wissink 1 april 2022, ECLI:NL:PHR:2022:331
- Rb. Zeeland-West-Brabant 1 november 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:7713
- Rb. Midden-Nederland 20 juli 2020, ECLI:NL:RBMNE:2020:2847
- Rb. Midden-Nederland 25 april 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:1642
- Rb. Den Haag 24 januari 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:379
- Conclusie A-G Wissink 25 maart 2022, ECLI:NL:PHR:2022:309
- Conclusie A-G Wissink 25 maart 2022, ECLI:NL:PHR:2022:308
- Conclusie A-G Wissink 3 februari 2017, ECLI:NL:PHR:2017:73
- Hof 's-Hertogenbosch 31 januari 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:366
- Hof Amsterdam 12 maart 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:588