Art. 5:94 BW, Erfpacht
Burgerlijk Wetboek Boek 5 (BW5)
1. De erfpachter is bevoegd de zaak waarop het recht van erfpacht rust, te verhuren of te verpachten, voor zover in de akte van vestiging niet anders is bepaald.
2. Na het einde van de erfpacht is de eigenaar verplicht een bevoegdelijk aangegane verhuur of verpachting gestand te doen. Hij kan nochtans gestanddoening weigeren, voor zover zonder zijn toestemming hetzij de overeengekomen tijdsduur van de huur langer is dan met het plaatselijk gebruik overeenstemt of bedrijfsruimte in de zin van de zesde afdeling van titel 4 van Boek 7 is verhuurd voor een langere tijd dan vijf jaren, hetzij de verpachting is geschied voor een langere duur dan twaalf jaren voor hoeven en zes jaren voor los land, hetzij de verhuring of verpachting is geschied op ongewone voor hem bezwarende voorwaarden.
3. Hij verliest de bevoegdheid gestanddoening te weigeren, wanneer de huurder of pachter hem een redelijke termijn heeft gesteld om zich omtrent de gestanddoening te verklaren en hij zich niet binnen deze termijn heeft uitgesproken.
4. Indien de eigenaar volgens de vorige leden niet verplicht is tot gestanddoening van een door de erfpachter aangegane verhuring van woonruimte waarin de huurder bij het eindigen van de erfpacht zijn hoofdverblijf heeft en waarop de artikelen 271 tot en met 277 van Boek 7 van toepassing zijn, moet hij de huurovereenkomst niettemin met de huurder voortzetten met dien verstande dat artikel 269 lid 2 van Boek 7, van overeenkomstige toepassing is.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Conclusie A-G Bakels 29 november 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE4553
- Rb. Rotterdam 28 juli 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:8586
- Hof 's-Hertogenbosch 23 september 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:3801
- Rb. Rotterdam 28 januari 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:592
- Rb. Rotterdam 2 augustus 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:7762
- Rb. Overijssel 17 augustus 2021, ECLI:NL:RBOVE:2021:3289
- Rb. Noord-Nederland 23 december 2020, ECLI:NL:RBNNE:2020:4595
- Rb. Noord-Holland 20 april 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:4139
- Rb. Midden-Nederland 9 oktober 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:6624
- Rb. Midden-Nederland 13 januari 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:6021
- Rb. Limburg 6 maart 2020, ECLI:NL:RBLIM:2020:1864
- Rb. Arnhem 14 september 2005, ECLI:NL:RBARN:2005:AU5043
- Conclusie A-G Hartlief 6 januari 2017, ECLI:NL:PHR:2017:2
- Conclusie A-G Rank-Berenschot 26 april 2013, ECLI:NL:PHR:2013:BZ0158
- Conclusie A-G Huydecoper 9 november 2007, ECLI:NL:PHR:2007:BB7408
- Conclusie A-G Huydecoper 25 november 2005, ECLI:NL:PHR:2005:AT8242
- Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 28 juli 2026, ECLI:NL:OGHACMB:2026:252
- HR 25 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8242
- Hof 's-Hertogenbosch 2 november 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:3304
- Hof 's-Hertogenbosch 10 november 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:3473