Art. 11 Regeling rondvaartboten van het Amsterdamse grachtentype, Schotten

Regeling rondvaartboten van het Amsterdamse grachtentype

1. De volgende waterdichte schotten, die reiken tot de bovenkant van het scheepsboord moeten zijn aangebracht:

a. een aanvaringsschot, gelegen op tenminste 0,10 m en ten hoogste 0,60 m achter de voorloodlijn;

b. een schot tussen de machinekamer en de passagiersruimte;

c. een achterpiekschot op een redelijke afstand van de achtersteven. Op schepen met een lengte van 25 m of minder mag het achterpiekschot achterwege worden gelaten.

2. Indien de rondvaartboot is voorzien van een CNG-installatie zijn doorvoeringen door schotten gasdicht. Doorvoeringen door het machinekamerschot zijn tevens brandwerend.