Art. 37 Kadw, Vereisten waaraan ter inschrijving aangeboden stukken moeten voldoen in verband met de aard van het in te schrijven feit
1. Een notariële verklaring, als bedoeld in de artikelen 26, 30, 34 en 36, houdt behalve hetgeen in deze artikelen is voorgeschreven, tevens in een verklaring van de notaris:
a. hetzij dat allen die als partij bij het in te schrijven feit betrokken zijn aan de notaris hebben medegedeeld met de inschrijving in te stemmen;
b. hetzij dat bewijsstukken aan hem zijn overgelegd en aan de verklaring gehecht, die genoegzaam aantonen dat het in te schrijven feit zich inderdaad heeft voorgedaan dan wel, in geval van een verklaring als bedoeld in artikel 36, tweede lid, dat het recht bestaat;
c. hetzij dat hij niet aan het onder a en b gestelde kan voldoen.
2. In het in het eerste lid, onder c, bedoelde geval boekt de bewaarder de aanbieding van de notariële verklaring slechts in het register van voorlopige aantekeningen en kan inschrijving alleen plaatsvinden op bevel van de rechter. Het tweede, derde en vierde lid, eerste volzin, alsmede het vijfde en zesde lid van artikel 20 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek zijn van overeenkomstige toepassing met dien verstande, dat het bevel slechts wordt gegeven, indien de eiser naast de bewaarder allen die als partij bij het in te schrijven feit zijn betrokken, tijdig in het geding heeft geroepen.
3. De kosten van het geding blijven voor rekening van de eiser, tenzij de vordering ondanks verweer wordt toegewezen, in welk geval degene die het verweer heeft gevoerd in de kosten wordt veroordeeld.
4. Wanneer het aangeboden stuk ook overigens niet aan de vereisten voor inschrijving voldoet, vermeldt de bewaarder bij de voorlopige aantekening tevens de gerezen bedenkingen en is artikel 20 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek in dier voege van toepassing dat het daarbedoelde bevel slechts tezamen met dat uit hoofde van het tweede lid kan worden gevorderd.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- HR 25 september 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0690
- ABRvS 29 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1327
- HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1468
- HR 27 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7908
- Conclusie A-G Rank-Berenschot 22 april 2016, ECLI:NL:PHR:2016:619
- Hof 's-Hertogenbosch 15 augustus 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:3624
- Hof Amsterdam 23 april 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:1064
- Rb. Noord-Nederland 5 maart 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:736
- Rb. Midden-Nederland 4 oktober 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:5154
- Conclusie A-G Wesseling-van Gent 13 januari 2006, ECLI:NL:PHR:2006:AU4533
- Hof Den Haag 10 september 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:2365
- Hof Arnhem 14 mei 2002, ECLI:NL:GHARN:2002:AE2653
- Rb. Zeeland-West-Brabant 7 februari 2017, ECLI:NL:RBZWB:2017:862
- Rb. Zutphen 11 januari 2006, ECLI:NL:RBZUT:2006:AV1849
- Rb. 's-Hertogenbosch 30 juli 2008, ECLI:NL:RBSHE:2008:BD9136
- Rb. Rotterdam 10 maart 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:2495
- Rb. Rotterdam 6 september 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:6974
- Rb. Overijssel 22 februari 2023, ECLI:NL:RBOVE:2023:729
- Rb. Noord-Holland 14 december 2016, ECLI:NL:RBNHO:2016:11574
- Rb. Middelburg 23 april 2008, ECLI:NL:RBMID:2008:BD3181