Rb. Overijssel 22 februari 2023, ECLI:NL:RBOVE:2023:729

In een eerdere procedure tussen partijen is bij eindvonnis geoordeeld dat A op grond van verjaring eigenaar is geworden van een stuk grond dat aanvankelijk aan B toebehoorde. In de huidige procedure vordert A, kort gezegd, veroordeling van B om mee te werken aan de kadastrale afsplitsing van het bewuste grondstuk van diens perceel en aan doorhaling van de hypotheek waarmee diens perceel is belast. De tegenvordering van B strekt ertoe, onder meer, om A te veroordelen tot teruglevering van het grondstuk. Daarbij draagt B aan dat A onrechtmatig tegenover hem heeft gehandeld door het grondstuk in bezit te nemen en te houden, wetende dat hij daarvan geen eigenaar was. Anders dan A betoogt, is de rechtbank van oordeel dat het gezag van gewijsde dat aan het eerdere vonnis toekomt niet aan de vordering van B in de weg staat. Niettemin zal diens vordering worden afgewezen, omdat B onvoldoende heeft gemotiveerd dat A onrechtmatig tegenover hem heeft gehandeld. De vordering van A zal in aangepaste vorm worden toegewezen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken