Art. 53 GWW, Overgangs- en slotbepalingen
1. Een vergunning, verleend op grond van de Grondwaterwet Waterleidingbedrijven, wordt voor de toepassing van deze wet beschouwd als krachtens deze wet te zijn verleend.
2. De rechten en verplichtingen, die op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet krachtens een beschikking als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Grondwaterwet Waterleidingbedrijven gelden met betrekking tot het in werking hebben van een inrichting waarvoor vergunning is verleend hetzij krachtens de Hinderwet hetzij krachtens de aan die wet voorafgaande Koninklijke besluiten, blijven gelden voorzover zodanige rechten en verplichtingen ook voortvloeien uit een krachtens deze wet verleende vergunning.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Conclusie A-G VAN HILTEN 26 maart 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BG5390
- Conclusie A-G VAN HILTEN 21 mei 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BG5382
- Conclusie A-G VAN HILTEN 21 mei 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BG5375
- Conclusie A-G VAN HILTEN 9 april 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BG5296
- Hof 's-Hertogenbosch 18 juli 2007, ECLI:NL:GHSHE:2007:BB7898