Hof 's-Hertogenbosch 18 juli 2007, ECLI:NL:GHSHE:2007:BB7898
Hoewel bij het voldoen van belasting op aangifte niet sprake is van een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb, brengt naar het oordeel van het Hof de ratio van artikel 6:10 van de Awb met zich, dat bij de voldoening van belasting op aangifte een voortijdig, dat wil zeggen een vóór de aanvang van de bezwaartermijn ingediend, bezwaar slechts dan ontvankelijk moet worden geacht indien de belastingplichtige ten tijde van de indiening redelijkerwijs mocht menen dat de betaling door de rijksbelastingdienst was ontvangen. Feiten en omstandigheden, die nopen tot de conclusie dat de belanghebbende op 22 december 2003 - de datum waarop de in één geschrift, met kenmerk 6, vervatte bezwaren inzake de in geschil zijnde grondwaterbelasting is opgesteld - dan wel op 29 december 2003 - de datum van ontvangst van het vorenbedoelde geschrift - redelijkerwijs mocht menen dat de betaling door de rijksbelastingdienst was ontvangen zijn gesteld noch gebleken. Mitsdien is het bezwaar tegen de voldoening op aangifte over het tijdvak november 2003 niet-ontvankelijk.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 22j AWR
- Artikel 24a AWR
- Artikel 25 AWR
- Artikel 26 AWR
- Artikel 27m AWR
- Artikel 27p AWR
- Artikel 65 AWR
- Artikel 1 GWW
- Artikel 53 GWW
- Artikel 54 GWW
- Artikel 1:3 Awb
- Artikel 6:7 Awb
- Artikel 6:8 Awb
- Artikel 6:10 Awb
- Artikel 6:11 Awb
- Artikel 6:15 Awb
- Artikel 7:15 Awb
- Artikel 8:14 Awb
- Artikel 8:68 Awb
- Artikel 8:74 Awb