Art. 6a WGBMV, Algemeen
Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGBMV)
Indien degene die meent dat te zijnen nadeel een onderscheid is of wordt gemaakt als bedoeld in deze wet, in rechte feiten aanvoert die dat onderscheid kunnen doen vermoeden, dient de wederpartij te bewijzen dat niet in strijd met deze wet is gehandeld.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Hof 's-Hertogenbosch 8 november 2005, ECLI:NL:GHSHE:2005:AU6564
- Rb. Amsterdam 24 augustus 2011, ECLI:NL:RBAMS:2011:BU3593
- Rb. Midden-Nederland 13 juni 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:2855
- Rb. Amsterdam 13 maart 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:BZ4174
- Hof 's-Gravenhage 21 december 2010, ECLI:NL:GHSGR:2010:BP3748
- Hof Amsterdam 23 augustus 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:3417
- Hof Amsterdam 7 oktober 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:4132