Art. 11 Beschikking Dagloonregelen WAMIL 1972, Bijzondere bepalingen inzake dagloonvaststelling voor de toepassing van de hoofdstukken II en III van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen
Beschikking Dagloonregelen WAMIL 1972
1. Indien de uitkeringsgerechtigde in het jaar onmiddellijk voorafgaande aan de datum van opkomst in militaire dienst geen arbeid heeft verricht, wordt het dagloon vastgesteld op het bedrag van de bezoldiging, die hij met ingang van de dag, waarop hij aanspraak op uitkering kan doen gelden, in dienst van de Rijksoverheid in de aan zijn opleiding verbonden rang of functie gemiddeld per gewerkte dag zou hebben genoten.
2. Onder het bedrag van de bezoldiging als bedoeld in het eerste lid wordt mede begrepen de vakantietoeslag.
3. Het bepaalde in het eerste en tweede lid is, in afwijking van het bepaalde in de vorige artikelen, van overeenkomstige toepassing ten aanzien van degene, die in bedoeld jaar andere arbeid heeft verricht dan in het beroep, waarvoor hij is opgeleid.
4. Bij de vaststelling van het dagloon voor de toepassing van hoofdstuk II van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen vindt artikel 5a van deze beschikking overeenkomstige toepassing.
5. Bij de vaststelling van het dagloon voor de toepassing van hoofdstuk III van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen is artikel 11 van de Dagloonregelen WAO van overeenkomstige toepassing.
6. Indien het dagloon vastgesteld overeenkomstig paragraaf 1, 2 of 3 hoger is dan het dagloon, vastgesteld overeenkomstig het derde, vierde en vijfde lid van dit artikel, wordt ten aanzien van de uitkeringsgerechtigde het eerstbedoelde dagloon in aanmerking genomen.