HR 12 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2149
OM-cassatie. Grondslagverlating. Bij de beoordeling van de vraag of een verdachte t.z.v. het feitelijke leiding geven aan dan wel opdracht geven tot een door een rechtspersoon verrichte verboden gedraging, a.b.i. art. 51.2.2 Sr, strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld, dient eerst te worden vastgesteld dat die rechtspersoon een strafbaar feit heeft begaan. I.c. had het Hof derhalve t.a.v. de in de tll. genoemde rechtspersonen de vraag moeten beantwoorden of zij de aldaar genoemde aangiften omzetbelasting opzettelijk onjuist en/of onvolledig hebben gedaan. Eerst na een bevestigend antwoord, komt de vraag aan de orde of kan worden bewezen dat de verdachte aan die gedraging feitelijke leiding heeft geven dan wel daartoe opdracht heeft gegeven. Het opzet van de rechtspersoon op de verboden gedragingen en de daarvoor vereiste vaststellingen moeten worden onderscheiden van hetgeen is vereist voor een bewezenverklaring van het opdracht geven tot dan wel het feitelijke leidinggeven aan die gedragingen. Door verdachte van het hem tenlastegelegde vrij te spreken omdat ten laste van hem niet kon worden bewezen dat hij de in de tll. genoemde aangiften omzetbelasting opzettelijk onjuist dan wel onvolledig heeft gedaan, heeft het Hof de verdachte vrijgesproken van iets anders dan hem was tenlastegelegd en aldus de grondslag van de tll. verlaten.
De uitspraak op rechtspraak.nl