Art. 8 Wet opsporing delfstoffen

Wet opsporing delfstoffen

Met het aantonen van de aanwezigheid van delfstoffen door middel van een boring, waarmede een aanvang is gemaakt na 14 december 1965, wordt bij de toepassing van de artikelen 16, tweede lid, en 46 van de wet van 21 april 1810 (Bulletin des Lois 285) slechts rekening gehouden, indien de aanwezigheid van een delfstof is aangetoond door de houder van een vergunning, waarin die delfstof is vermeld, met gebruikmaking van die vergunning.