Art. 41 MCP, Mijnbouwinstallaties

Mijnreglement continentaal plat (MCP)

1. Een mijnbouwinstallatie moet van zonsondergang tot zonsopkomst van de volgende lichten zijn voorzien:

a. een of meer witte lichten van zodanige sterkte, dat de veiligheid van de scheepvaart en van de op de mijnbouwinstallatie werkzame personen zoveel mogelijk is gewaarborgd, en welke zodanig zijn ingericht en geplaatst, dat ongeacht vanuit welke richting de installatie wordt genaderd, tenminste één licht zichtbaar is; deze lichten moeten synchroon branden en dienen een Morse-karakter te hebben overeenkomend met dat van de Morse-letter U, met een periode van 15 seconden, verdeeld als volgt: helder ½ seconde, duister ½ seconde, helder ½ seconde, duister ½ seconde, helder 1½ seconde, duister 11½ seconde;

b. indien een mijnbouwinstallatie een grootste horizontale afmeting heeft van meer dan 15 meter, op de uiteinden van de installatie vaste, rondom zichtbare, witte lichten van zodanige sterkte, dat de omtrek van die installatie op zodanige afstand kan worden waargenomen, dat het gevaar voor aanvaring zoveel mogelijk wordt voorkomen, tenzij de onder a bedoelde lichten op die uiteinden zijn geplaatst;

c. indien een mijnbouwinstallatie een hoogte heeft van meer dan 30 meter boven gemiddeld hoog water, op het hoogste punt van de installatie een vast, rood licht van een sterkte van tenminste 10 candelas, dat zichtbaar is vanuit ieder punt boven de horizon, en indien de installatie hoger is dan 45 meter, bovendien halverwege tussen genoemd licht en het zee-oppervlak een zodanig aantal vaste, rode lichten van dezelfde sterkte, dat vanuit ieder punt boven de horizon tenminste één daarvan zichtbaar is.

2. Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, nadere regelen stellen ten aanzien van de inrichting, sterkte en plaatsing van de lichten, bedoeld in het eerste lid onder a en b, zomede ten aanzien van de inrichting van de lichten, bedoeld in het eerste lid, onder c.

3. De in het eerste lid bedoelde lichten moeten zodanig zijn ingericht en worden gevoed, dat hun ononderbroken werking is gewaarborgd.

4. Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, van het eerste lid ontheffing verlenen.