Art. 38c LB, Overgangs- en slotbepalingen
Wet op de loonbelasting 1964 (LB)
1. In afwijking in zoverre van artikel 18a, eerste lid, bedraagt de premie per dienstjaar ten hoogste de premie ter zake waarvan een recht van voortgezette inleg bestaat gedurende perioden na ontslag waarin loongerelateerde uitkeringen worden ontvangen, indien:
a. deze perioden zijn aangevangen vóór de dag van inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen, dan wel vóór 1 januari 2029, voor zover met toepassing van artikel 38q zoals dat luidde op de dag van inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen opbouw van pensioen heeft plaatsgevonden volgens de in de artikelen 18 tot en met 18ga alsmede de daarop gebaseerde bepalingen zoals deze luidden op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen opgenomen normeringen en begrenzingen en voor de werknemer niet reeds een pensioenregeling van toepassing is als bedoeld in hoofdstuk IIB zoals dat geldt vanaf de dag van inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen;
b. het recht op voortgezette premie-inleg verband houdt met arbeidsongeschiktheid van de werknemer;
c. als verzekeraar van het pensioen optreedt een lichaam als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel b, een pensioenfonds als bedoeld in artikel 220h van de Pensioenwet of een beroepspensioenfonds als bedoeld in artikel 214f van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.
2. Indien gedurende perioden na ontslag bedoeld in het eerste lid, opbouw van een partnerpensioen bij overlijden voor pensioendatum of een wezenpensioen plaatsvindt met toepassing van artikel 220h, tweede lid, of artikel 220ha, eerste lid, van de Pensioenwet of artikel 214f, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling zijn de artikelen 18b, tweede lid, en 18c, derde lid, niet van toepassing.
3. Onder een partner wordt voor de toepassing van dit artikel verstaan echtgenoten en gewezen echtgenoten, dan wel degenen met wie duurzaam een gezamenlijke huishouding wordt gevoerd of is gevoerd en met wie geen bloed- of aanverwantschap in de eerste graad bestaat.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Conclusie A-G VAN BALLEGOOIJEN 15 juni 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BU8935
- Rb. Leeuwarden 12 april 2011, ECLI:NL:RBLEE:2011:BQ5541
- Rb. Utrecht 2 februari 2011, ECLI:NL:RBUTR:2011:BP2283
- Rb. 's-Gravenhage 28 november 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BY4671
- Rb. Midden-Nederland 20 februari 2013, ECLI:NL:RBMNE:2013:CA0031
- Rb. Haarlem 6 augustus 2009, ECLI:NL:RBHAA:2009:BJ4702
- Hof Arnhem 5 juni 2012, ECLI:NL:GHARN:2012:BW7548
- Hof Arnhem-Leeuwarden 15 december 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:9603
- CRvB 28 augustus 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1272
- CRvB 31 oktober 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2105
- CRvB 31 oktober 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2104
- CRvB 3 juni 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM8559
- CRvB 9 juli 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ4532
- CRvB 9 juli 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ3271
- CRvB 9 juli 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2832