Art. 30f WKS, Vergunning tot het aanwezig hebben van kansspelautomaten
1. De vergunning wordt ingetrokken:
a. indien de gegevens, die met het oog op de verkrijging der vergunning zijn verstrekt, zodanig onjuist of onvolledig blijken, dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest;
b. indien voor een inrichting, als bedoeld in artikel 30c, eerste lid, onder a en b, niet de vergunning van kracht is, die ingevolge de voor die inrichting geldende bepalingen is vereist;
c. indien niet langer wordt voldaan aan de krachtens artikel 30d, vierde lid, onder a, geldende eisen.
2. De vergunning kan voorts worden ingetrokken:
a. indien de vergunninghouder de bij of krachtens deze Titel vastgestelde bepalingen heeft overtreden;
b. indien de vrees gewettigd is, dat het van kracht blijven der vergunning ernstig gevaar zou opleveren voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid.
3. De vergunning kan ook worden ingetrokken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.
4. Voordat toepassing wordt gegeven aan het derde lid, kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd.
5. In de gevallen bedoeld in het eerste lid, tweede lid, onder a, en derde lid kan de burgemeester alvorens de vergunning in te trekken de vergunninghouder in de gelegenheid stellen binnen een daartoe te bepalen termijn tot naleving van de bij of krachtens deze Titel vastgestelde bepalingen of de aan de vergunning verbonden voorschriften over te gaan.
6. Intrekking van de vergunning geschiedt niet voordat de burgemeester van zijn voornemen daartoe de vergunninghouder bij aangetekende brief, onder opgave van redenen, mededeling heeft gedaan en hem in de gelegenheid heeft gesteld zich in persoon of bij gemachtigde door hem of een door hem aangewezen ambtenaar te doen horen. In het geval bedoeld in het tweede lid, onder b, kan, indien dringende omstandigheden zulks vorderen, de vergunning onmiddellijk worden ingetrokken.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- ABRvS 19 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:132
- ABRvS 26 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2838
- ABRvS 4 april 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA2240
- ABRvS 22 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2805
- ABRvS 6 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1839
- ABRvS 5 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:902
- Rb. Den Haag 25 september 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:9302
- ABRvS 26 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5718
- Rb. Zeeland-West-Brabant 11 juli 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:4697
- Rb. Oost-Brabant 4 september 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:5540
- Rb. Midden-Nederland 21 april 2017, ECLI:NL:RBMNE:2017:2048
- Rb. Gelderland 30 november 2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:5201
- Rb. Amsterdam 13 december 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:8473
- CBb 17 november 2004, ECLI:NL:CBB:2004:AR6914
- CBb 20 december 2002, ECLI:NL:CBB:2002:AF3250
- CBb 21 februari 2001, ECLI:NL:CBB:2001:AB0297
- CBb 7 juni 2000, ECLI:NL:CBB:2000:AA9037