Art. 37 Wet op de Ruimtelijke Ordening, Voorschriften van hoger gezag inzake gemeentelijke planologische maatregelen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
1. Onze Minister kan na overleg met gedeputeerde staten en de gemeenteraad, de Rijksplanologische Commissie gehoord, voor zover een juiste uitvoering van het Regeringsbeleid de totstandkoming of herziening van planologische maatregelen vordert, de gemeenteraad verplichten, een bestemmingsplan vast te stellen of te herzien.
2. Bij toepassing van het eerste lid kan Onze Minister na overleg met gedeputeerde staten en de gemeenteraad, de Rijksplanologische Commissie gehoord, voorzover bovengemeentelijke belangen dat vorderen, aanwijzingen geven omtrent de inhoud van een bestemmingsplan. Hij gaat hiertoe niet eerder over dan vier weken nadat hij de Tweede Kamer der Staten-Generaal van zijn voornemen tot het geven van bedoelde aanwijzingen in kennis heeft gesteld. Het voornemen gaat vergezeld van de door gedeputeerde staten en de gemeenteraad gemaakte opmerkingen. Indien en voor zover bedoelde aanwijzingen niet gebaseerd zijn op een planologische kernbeslissing geeft Onze Minister geen uitvoering aan zijn voornemen, dan na uitdrukkelijke instemming daarmee door de Tweede Kamer. Met het voornemen wordt geacht te zijn ingestemd, indien de Tweede Kamer binnen vier weken na de inkennisstelling van het voornemen geen besluit heeft genomen omtrent de behandeling daarvan.
3. Zo spoedig mogelijk na de bekendmaking wordt van besluiten en aanwijzingen van Onze Minister, als bedoeld in het eerste en tweede lid, mededeling gedaan door toezending van een afschrift aan de Rijksplanologische Commissie, aan gedeputeerde staten en aan de inspecteur. Een aanwijzing als bedoeld in het tweede lid wordt, tegelijkertijd met de toezending van de afschriften, op door Onze Minister te bepalen plaatsen ter inzage gelegd. Artikel 3:12 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing. De kennisgeving, bedoeld in het eerste lid van dat artikel, wordt tevens in de Staatscourant geplaatst.
4. Gedeputeerde staten kunnen na overleg met de gemeenteraad, de provinciale planologische commissie gehoord, de gemeenteraad verplichten een bestemmingsplan vast te stellen of te herzien.
5. Bij toepassing van het vierde lid kunnen gedeputeerde staten na overleg met de gemeenteraad, de provinciale planologische commissie gehoord, voorzover bovengemeentelijke belangen dat vorderen, aanwijzingen geven omtrent de inhoud van een bestemmingsplan. Deze aanwijzingen moeten hun grondslag vinden in of redelijkerwijs voortvloeien uit een streekplan of het provinciaal ruimtelijk beleid, voorzover dit is neergelegd in een besluit van provinciale staten, de provinciale planologische commissie gehoord.
6. Zo spoedig mogelijk na de bekendmaking wordt van besluiten en aanwijzingen van gedeputeerde staten, als bedoeld in het vierde en vijfde lid, mededeling gedaan door toezending van een afschrift aan de provinciale planologische commissie en aan de inspecteur. Een aanwijzing als bedoeld in het vijfde lid wordt, tegelijkertijd met de toezending van de afschriften, op het provinciehuis en bij de desbetreffende gemeentesecretarie ter inzage gelegd. Artikel 3:12 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing. De kennisgeving, bedoeld in het eerste lid van dat artikel, wordt tevens in de Staatscourant geplaatst.
7. De gemeenteraden zijn verplicht binnen een jaar na dagtekening van een besluit als bedoeld in het eerste of vierde lid, een bestemmingsplan vast te stellen of te herzien en dat in overeenstemming te brengen met aanwijzingen als bedoeld in het tweede of vijfde lid.
8. Een ieder die bedenkingen heeft tegen een besluit als bedoeld in het eerste of vierde lid en aanwijzingen als bedoeld in het tweede of vijfde lid, kan deze als onderdeel van zijn zienswijze over het ontwerp voor het bestemmingsplan, dat strekt ter uitvoering van dat besluit en die aanwijzingen, naar voren brengen.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- ABRvS 5 november 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AN7220
- ABRvS 27 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW9560
- ABRvS 23 maart 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP8732
- ABRvS 16 oktober 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE8789
- ABRvS 15 februari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV5092
- ABRvS 5 augustus 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ4612
- ABRvS 11 juni 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BD3598
- ABRvS 13 februari 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BC4231
- ABRvS 10 oktober 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BB5231
- ABRvS 24 juli 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE5762
- ABRvS 22 januari 2001, ECLI:NL:RVS:2001:1
- ABRvS 29 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA1358
- ABRvS 15 februari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV5094
- ABRvS 18 februari 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH3253
- ABRvS 14 november 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BB7795
- ABRvS 22 augustus 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BB2149
- ABRvS 12 juli 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AY3691
- ABRvS 15 juni 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AX9051
- ABRvS 12 april 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AW1309
- ABRvS 30 november 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AU7177