Art. 27 Wet op de Ruimtelijke Ordening, Bestemmingsplannen

Wet op de Ruimtelijke Ordening

1. Degene die tijdig zijn zienswijze bij de gemeenteraad naar voren heeft gebracht, alsmede een belanghebbende aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet overeenkomstig artikel 23 juncto afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht zijn zienswijze bij de gemeenteraad naar voren heeft gebracht, kan gedurende de in artikel 26 genoemde termijn van terinzageligging bij gedeputeerde staten bedenkingen inbrengen tegen het bestemmingsplan.

2. Voor zover de gemeenteraad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, kan een ieder gedurende de in artikel 26 bedoelde termijn bij gedeputeerde staten daartegen bedenkingen inbrengen.