Art. 56i Pachtwet, Het voorkeursrecht van de pachter
1. De pachter die van zijn recht van voorkeur gebruik heeft gemaakt en het uit dien hoofde verkregene binnen een periode van 10 jaar na die verkrijging deels of geheel vervreemdt, is aan de verpachter een vergoeding verschuldigd als bedoeld in het tweede tot en met vierde lid.
2. De vergoeding bedraagt het verschil tussen de prijs die door de pachter is betaald voor het verkregene en de waarde daarvan in pachtvrije staat ten tijde van de verkrijging.
3. Indien de waarde in pachtvrije staat ten tijde van de vervreemding door de pachter lager is dan de waarde in pachtvrije staat ten tijde van de verkrijging, bedraagt in afwijking van het tweede lid de vergoeding het verschil tussen de prijs die door de pachter is betaald voor het verkregene en de waarde daarvan in pachtvrije staat ten tijde van de vervreemding.
4. De in het tweede en derde lid bedoelde vergoeding neemt telkens af met ééntiende deel voor elk jaar dat verstreken is gerekend van de verkrijging door de pachter af en vermindert voorts naar evenredigheid indien sprake is van vervreemding van een deel van het object.
5. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing:
a. indien de vervreemding plaatsvindt aan de echtgenoot of geregistreerde partner van de pachter, aan één of meer van zijn bloed- of aanverwanten in de rechte lijn, aan één of meer van zijn pleegkinderen of aan één of meer van de medepachters, met dien verstande dat indien zij binnen de in het eerste lid bedoelde periode tot gehele of gedeeltelijke vervreemding van het object overgaan, zij de in het eerste lid bedoelde vergoeding verschuldigd zijn;
b. indien de vervreemding plaatsvindt door één of meer van de bloed- of aanverwanten in de rechte lijn van de pachter of door één of meer van diens pleegkinderen aan één of meer van hun bloedverwanten in de rechte lijn of pleegkinderen, met dien verstande dat indien laatstgenoemden binnen de in het eerste lid bedoelde periode tot gehele of gedeeltelijke vervreemding van het object overgaan, zij de in het eerste lid bedoelde vergoeding verschuldigd zijn.
6. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder vervreemding mede verstaan: elke overeenkomst of andere rechtshandeling in welke vorm en onder welke benaming ook aangegaan of verricht, strekkende tot het anderszins overgaan van het verkregene, waarvan moet worden aangenomen dat zij niet zou zijn aangegaan of zou zijn verricht indien de in het eerste lid bedoelde vergoeding niet zou zijn verschuldigd.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Rb. Utrecht 11 augustus 2004, ECLI:NL:RBUTR:2004:AQ6821
- Rb. Roermond 6 augustus 2009, ECLI:NL:RBROE:2009:BJ5361
- Rb. Middelburg 9 september 2009, ECLI:NL:RBMID:2009:BK9164
- Rb. Leeuwarden 12 november 2008, ECLI:NL:RBLEE:2008:BG5189
- Rb. Alkmaar 17 september 2008, ECLI:NL:RBALK:2008:BG1433
- Hof 's-Gravenhage 28 juli 2009, ECLI:NL:GHSGR:2009:BL0039
- Hof Arnhem 23 juni 2009, ECLI:NL:GHARN:2009:BJ1017
- Hof Arnhem 3 juni 2008, ECLI:NL:GHARN:2008:BE0110
- Hof Arnhem 13 maart 2007, ECLI:NL:GHARN:2007:BA1411
- Hof Arnhem 29 juli 2004, ECLI:NL:GHARN:2004:AQ9970
- Hof Arnhem-Leeuwarden 29 juli 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:6019
- Hof Amsterdam 12 mei 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BI4240