Art. 6 Uitv besl SW, Periodieke uitkeringen, vruchtgebruik, leegwaarderatio van verhuurde woningen en waarde van erfpachtcanon
Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956 (Uitv besl SW)
1. De waarde van een periodieke uitkering in geld welke na een bepaalde tijd vervalt, wordt gesteld op het jaarlijkse bedrag, vermenigvuldigd met het aantal jaren gedurende welke zij moet plaatshebben, iedere euro berekend tegen de volgende bedragen:
2. De waarde, naar de in het eerste lid bedoelde berekening vastgesteld, kan, indien de uitkering afhankelijk is van het leven, niet hoger zijn dan de waarde welke verkregen zou zijn wanneer de uitkering niet tevens na een bepaalde tijd zou vervallen, en, indien zij niet van het leven afhankelijk is, niet meer bedragen dan het zeventienvoud van het jaarlijkse bedrag.
3. De waarde van een periodieke uitkering in geld voor onbepaalde tijd, welke niet van het leven afhankelijk is, wordt gesteld op het zeventienvoud van het jaarlijkse bedrag.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Conclusie A-G Van den Berge 3 mei 2002, ECLI:NL:PHR:2002:ZC8025
- Hof Arnhem-Leeuwarden 4 mei 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:4339
- Rb. 's-Gravenhage 15 juli 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BN4715
- Rb. Noord-Holland 18 juni 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:7687
- Rb. Leeuwarden 13 december 2012, ECLI:NL:RBLEE:2012:BZ8250
- Conclusie A-G Mok 23 februari 1981, ECLI:NL:PHR:1981:AW9635
- Hof 's-Gravenhage 18 oktober 2011, ECLI:NL:GHSGR:2011:BV2132