Art. 53 Stoombesluit, Bijzondere bepalingen met betrekking tot vaten

Stoombesluit

1. Een vat moet op de ruimte, waarin vloeistof wordt aangevoerd en waarvan de toegestane werkdruk lager is dan de druk, waaronder die vloeistof kan worden aangevoerd, zijn voorzien van: Ten aanzien van de middellijn van de klepopening is het bepaalde in artikel 52, lid 1, op overeenkomstige wijze van toepassing op de hier bedoelde veiligheidsklep, indien deze zodanig is geplaatst, dat bij het openen steeds vloeistof wordt afgevoerd.

1e. een veiligheidsklep;

2e. een manometer.

2. Een vat moet op de ruimte, waarin een vloeistof, die deze ruimte geheel vult, wordt verhit zonder dat damp kan worden voortgebracht, zijn voorzien van: De klepopening van de veiligheidsklep moet een middellijn hebben van tenminste 15 mm.

1e. een veiligheidsklep;

2e. een manometer.