Art. 47 Stoombesluit, Bijzondere bepalingen met betrekking tot hierbij nader omschreven stoomketels en dampketels
Ketels, waarvan het verhitte gedeelte geheel bestaat uit pijpen, waarin de vloeistof uitsluitend van een voedingtoestel uit toestroomt en gedurende de doorstroming verdampt, moeten zijn voorzien van:
1e. een of meer veiligheidskleppen, overeenkomstig het bepaalde in artikel 40, lid 1 en 2;
2e. een manometer;
3e. een thermometer, indien het Districtshoofd dit nodig oordeelt.
De uitrusting van de ketel moet zodanig zijn, dat - wanneer het voedingtoestel tot stilstand komt - onmiddellijk een tweede voedingtoestel wordt ingeschakeld of de ketel niet verder kan worden verhit.