Art. 60c Advw, De procedure inzake de onbehoorlijke praktijkuitoefening
1. De deken kan de voorzitter van de raad van discipline schriftelijk verzoeken tot het instellen van een onderzoek naar de toestand waarin de praktijk van een advocaat zich bevindt, indien hij aanwijzingen heeft dat een situatie als bedoeld in artikel 60b, eerste lid, zich voordoet. Het verzoekschrift bevat de gronden waarop het berust.
2. Bevoegd tot het indienen van een verzoekschrift is de deken van de orde waartoe de advocaat behoort. Indien de betrokken advocaat de deken is, is het in artikel 23, eerste lid, bedoelde lid van de raad van de orde bevoegd. Bevoegd tot kennisneming is de voorzitter van de raad van discipline binnen wiens ressort de betrokken advocaat kantoor houdt. De voorzitter kan zich bij de uitoefening van zijn bevoegdheid door één van de plaatsvervangende voorzitters doen vervangen.
3. De voorzitter beslist op het verzoek als bedoeld in het eerste lid zo spoedig mogelijk na verhoor of behoorlijke oproeping van de deken en de betrokken advocaat. De behandeling geschiedt ter zitting met gesloten deuren, tenzij de betrokken advocaat behandeling in een openbare zitting wenst.
4. Tegen de beslissing, bedoeld in het derde lid, kunnen de betrokken advocaat en de deken binnen veertien dagen na verzending van een afschrift van de beslissing verzet doen bij de raad van discipline. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing. Het verzet schorst niet de werking van de beslissing waartegen het is gericht.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- ABRvS 30 juni 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AP4644
- Conclusie A-G Langemeijer 14 juni 2013, ECLI:NL:PHR:2013:CA3845
- Rb. Zeeland-West-Brabant 13 november 2013, ECLI:NL:RBZWB:2013:8636
- Rb. 's-Gravenhage 22 november 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BO4669
- Rb. Rotterdam 17 juni 2008, ECLI:NL:RBROT:2008:BD7251
- Rb. Overijssel 21 september 2017, ECLI:NL:RBOVE:2017:3613
- Rb. Arnhem 4 april 2006, ECLI:NL:RBARN:2006:AW7191
- Hof Arnhem-Leeuwarden 16 april 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:3400