Rb. 's-Gravenhage 22 november 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BO4669

Kort geding. Onrechtmatige Overheidsdaad. Artikel 60c Advocatenwet. De deken heeft de Raad van Discipline verzocht om een onderzoek als bedoeld in artikel 60c lid 1 Advocatenwet in stellen tegen een advocaat. De betreffende advocaat vordert een verbod aan de Raad van Discipline op te leggen om besloten zittingen te houden. Artikel 60c lid 3 Advocatenwet bepaalt dat de behandeling van het verzoek ex artikel 60c lid 1 Advocatenwet ter zitting met gesloten deuren geschiedt, tenzij de betrokken advocaat behandeling in een openbare zitting wenst. Op verzoek van de betreffende advocaat zal de behandeling echter in een openbare zitting moeten plaatsvinden, tenzij er gewichtige redenen zijn om de deuren te sluiten (zie ook artikel 49 lid 11 Advocatenwet). Als er voorafgaand aan de zitting een verzoek ex artikel 60c lid 3 Advocatenwet is gedaan waarop buiten de zitting nog geen beslissing is genomen, dan dient de behandeling van de zitting bij aanvang met gesloten deuren plaats te vinden.De advocaat kan dan ter zitting zijn verzoek tot openbare behandeling toelichten, waarna de voorzitter van de Raad van Discipline, gehoord ook de deken, een beslissing neemt op het verzoek van de advocaat. Een dergelijke gang van zaken staat niet in de weg aan een ''fair trial'' en is daarom niet in strijd met artikel 6 EVRM.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen